Het mag bekend verondersteld worden dat de Carthaagse legers gebruik maakten van olifanten tijdens veldslagen. Deze dieren worden nogal eens gezien als de tanks van de Oudheid, maar die eer komt ook nogal eens bij twee andere gevechtsmethoden op, bij de Griekse Falanx-formatie en bij de strijdwagens van het Nabije Oosten. Er is echter een groot verschil tussen die drie verschillende soorten tanks. Een Falanx bestaat uit mensen en is daarmee redelijk te besturen en ook voor een strijdwagen geldt dat je vrij goed kunt voorspellen waar die heen gaat. Een olifant is daarentegen een wild dier en dat betekent dat hij opeens kan omdraaien en naar de eigen legers kan stormen. Hoe voorkom je dat?
Volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 v.Chr. - 17 n.Chr.) meldt ons dat de Carthaagse generaal Hasdrubal daarmee geen risico nam. Hij instrueerde de olifantenmenners in zijn leger de olifanten te doden als ze niet meer te controleren waren (Vanaf de stichting van de stad 27.49.1-2):
Meer olifanten werden gedood door hun menners dan door de vijand. Zij hadden een beitel en een houten hamer van een timmerman bij zich en als het gek geworden beest richting hun eigen mannen stormde, plaatste de menner de beitel tussen de oren, precies waar het hoofd in de nek over ging en sloeg hem aan met al zijn kracht. Dit was de snelste manier die ze hadden gevonden om deze enorme dieren te doden als er geen hoop meer was ze onder controle te houden en het was Hadrubal die dit als eerste introduceerde.
In een wereld van Romeinse gevechten in computerspelletjes kan makkelijk gedacht worden dat je formaties met olifanten met een muisklik op de vijand kunt laten aanvallen, maar zo makkelijk gaat dit natuurlijk niet. Olifanten die opeens omdraaien moeten veel ellende hebben aangericht onder de bevriende legers. Hasdrubal heeft hier waarschijnlijk heel wat levens mee gespaard.
Een paar weken geleden besprak ik koning Croesus (±595 - ±546 v.Chr.) van Lydië in West-Turkije. Deze koning was schatrijk, maar had een probleem: Perzen. De buurvolk begon hem kennelijk de keel uit te hangen, dus overwoog hij een militaire oplossing. Aangezien je niet zomaar het sterkste land uit je tijd aanvalt, besloot Croesus advies in te winnen bij het Orakel van Delphi. Orakels staan niet bekend om hun duidelijke antwoorden op vragen en doen me altijd een beetje denke aan het Boek met alle antwoorden.
Croesus kwam met een simpele vraag: moet ik de Perzen aanvallen? De Griekse geschiedschrijver Herodotus (±485 v.Chr. - tussen 425/420 v.Chr.) vertelt dat het Orakel het volgende antwoord gaf (Historiën I.53.3):
Zo was hun vraag en het oordeel van beide Orakels aan Croesus was hetzelfde: namelijk, dat als hij een leger tegen de Perzen zou sturen, hij een groot rijk zou vernietigen. En zij adviseerden hem de machtigste van de Grieken op te zoeken en hen zijn vrienden te maken.
Dit klinkt goed, dus Croesus maakte vrienden van een aantal Griekse mogendheden en trok ten strijde tegen de Perzen. Er was alleen een dingetje dat hij verkeerd had ingeschat. Het Orakel had namelijk nergens gezegd wélk grote rijk ten onder zou gaan. Dat was niet het Perzische, namelijk.
Het Boek met alle antwoorden zei mij: "Concentreer je op je werk."
Scheppingsmythen zijn een bijzonder soort verhalen. Vaak gaan ze over een grote epische strijd tussen het goede en het kwaden of tussen chaos en orde. Het bekendste verhaal is waarschijnlijk dat tussen de Griekse god Zeus en zijn vader Kronos, die zijn kinderen opat en er één liet ontsnappen. Minder bekend, maar zeker zo interessant is het Babylonische scheppingsverhaal Enûma Eliš waarin een groep goden onder leiding van Marduk de machten van de chaos, geleid door de oergodin Tiamat bestreden.
Tiamat had kinderen, de goden, maar zij maakten zoveel lawaai dat de zoetwatergod Apsu zich eraan ging ergeren en in deze setting waren de goden niet milder dan tegenwoordig, dus overtuigde Apsu Tiamat om haar nageslacht af te slachten. In het eerste van zeven tabletten waar dit verhaal op wordt verteld, staat (Tablet 1, 113-126):
Ummu-Hubur [Tiamat], die alle dingen had gevormd
Maakte verder onoverwinnelijke wapens, ze bracht monster-serpenten voort,
Met scherpe tanden, met genadeloze tanden;
Ze vulde hun lichamen met gif in plaats van met bloed,
Ze bekleedde gevaarlijke monster-adders met terreur,
Ze dostte hen uit met pracht en maakte hem van groots gestalte.
Een ieder die naar hen keek werd overmand door angst,
Hun lichamen steigerden en niemand kon hun aanval weerstaan.
Ze maakte adders en draken en het monster Lahamu,
En orkanen en woedende honden en schorpioen-mannen
en machtige stormen en vismannen en rammen
Zij droegen wrede wapens en waren niet bang voor de strijd.
Haar bevelen waren machtig en niemand kon hen weerstaan;
Op die manier maakte ze elf monsters, enorm in gestalte.
En dit omdat de kinderen nog even wilden lezen voor ze naar bed gingen...
Rome heeft een aantal keizers gekend die als gek de geschiedenisboeken in zijn gegaan. Caligula (12 - 41 n.Chr.) is hier al een aantal keer aan bod gekomen, maar hij is zeker niet de enige. De raarste reputatie had misschien zelfs een wat minder bekende keizer, Elagabalus (203/204 - 222 n.Chr.), die ook niet erg oud geworden is. Deze keizer zal nog vaker aan bod komen.
Elagabalus was een Syrische priester die door het leger tot keizer werd uitgeroepen na een korte periode met twee keizers tegelijk. Waar hij zich door onderscheidde was een tweetal dingen: ten eerste was hij het die zijn god uit Syrië probeerde te vestigen als oppergod van de Romeinen. Dit komt later in dit blog nog aan bod, met name in relatie tot de munten die hij liet slaan. Ten tweede stond hij bekend als bijzonder extravagant. De anonieme auteur van de Historia Augusta (vermoedelijk vierde eeuw n.Chr.) besteedt de helft van zijn biografie van de keizer aan wat hem zo vreemd maakte. Zo had hij een merkwaardig gevoel voor humor (Elagabalus 26.6-8):
Hij haalde ook grappen uit met zijn slaven. Hij beval hen zelfs om hem duizend pond spinnenwebben [ruim 300 kg] te brengen en bood hen een prijs aan; en hij verzamelde, zo zegt men, tienduizend pond en merkte op dat men zich kon realiseren hoe groot de stad Rome was. Hij stuurde zijn parasieten potten met kikkers, schorpioenen, slangen en andere van dat soort reptielen als hun jaarlijkse toelage aan levensmiddelen en hij stopte gigantische hoeveelheden vliegen in zo'n pot en noemde hen getemde bijen.
De Oudheid wordt vaak toch voorgesteld als de tijd van de Romeinen en de Grieken. Dat is, de filosofen, kunstenaars, culturele dingen uit Griekenland en het praktische van de Romeinen. De Romeinen wisten de Grieken er met militaire middelen onder te krijgen en Griekenland is daarna altijd een belangrijk gewest geweest, tot het zelfs de fakkel overnam toen het Oost-Romeinse rijk het West-Romeinse overleefde en vanuit Constantinopel (het huidige Istanbul, maar destijds Grieks) werd geregeerd.
De Grieken hadden wel een cultuur die voor de Romeinen interessant was, zij het verwijfd en on-Romeins. Je kunt hele verhalen ophangen over de culturele invloed van de Grieken, maar het vaak de mogelijkheid van de grote dichters om het in één zin samen te vatten. De Romeinse dichter Horatius (65 - 8 v.Chr.), degene die we vooral kennen van de uitspraak Carpe diem ("pluk de dag") wist het heel eenvoudig en treffend te formuleren in één van zijn brieven (Brieven 2.1.156-157)
Het veroverde Griekenland veroverde haar onbeschaafde veroveraar en bracht de kunsten in het landelijke Latium.
Ik heb iemand leren kennen die prachtige gedichten schrijft. Toen ik haar muze noemde, riep ze uit dat iemand anders dat ook altijd doet, maar dat ze niet wist waarom. Dus daarom speciaal voor haar dit stukje.
De Grieken kenden een veelgodendom met voor allerlei zaken specifieke goden. Zo waren er de Olympische Goden (van de Olympus) en de negen Muzen. Deze hadden alle negen hun eigen functie in de kunst en de wetenschap (want dat deden ze). De bekendste is misschien wel Kalliope. Zij werd namelijk aangeroepen in de eerste zin van het bekendste werk uit de Griekse Oudheid, de Illias van Homerus (8e eeuw v.Chr.) (Illias I.1-7):
Bezing, godin [in sommige vertalingen staat hier "muze"], de wrok van Peleus' zoon Achilleus,
die verwenste, die talloze rampen de Grieken bezorgde
en veel krachtige levens voorwierp aan Hades
van helden, en henzelf tot prooi maakte voor honden
en alle vogels - zo ging Zeus' wil in vervulling -
vanaf het moment dat een ruzie uitbrak tussen
de leider der mannen Agamemnon en de stralende Achilleus.
Het was de inspiratie van de muze die Homerus aanboorde voor zijn meesterwerk. De vrouw met de mooie gedichten, dat is Erato of Terpischore, afhankelijk van de vraag of er gezongen of gedanst wordt.
De Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (43 v.Chr. - 17 n.Chr.) is twee weken geleden aan bod gekomen en toen vertelde ik dat zijn bekendste werk De Metamorphosen was. Vandaag een korte greep uit dit werk. In dit werk vertelt hij over verschillende gevallen in de mythologie waarin een mens de gedaante van een dier aannam, niet zelden met desastreuze gevolgen. Een logisch gevolg is dat deze dichter sympatiek stond tegenover vegetariërs. Hij had daarover het volgende te zeggen (Metamorphosen 15.459-468):
Gun dus die dieren, die wellicht de ziel van onze ouders of broers bevatten of van welke aanverwanten ook, in elk geval van mensen, hun verdiende rust en vrede; laten wij onze maag niet voeden met Thyestesvoer [Thyestes was een koning die zijn eigen kinderen als maaltijd voorgeschoteld kreeg]! Hoe slecht is de gewoonte en hoe goddeloos de aanslag op eigen bloed, als mnsen met hun zwaard een jonge koe de keel doorklieven en haar zonder meelij laten klagen; als men een bokje, dat om hulp roept als een angstig kind, kan slachten of kan smullen van een vogeltje waaraan men zelf altijd graantjes gaf?
Het vlees eten van tegenwoordig is een onpersoonlijk verhaal geworden. Ik weet niet welke koe ik 's avonds op mijn bord heb liggen. Als je erover nadenkt, kan ik me heel goed voorstellen dat mensen dat liever niet eten.