Denkers in de Oudheid beperkten zich hoogst zelden tot één specialistisch onderwerp. We hebben bij Marcus Vitruvius Pollo (± 85 - 20 v.Chr.) eerder gezien dat bijvoorbeeld een architect een heel breed kennispakket moest hebben. Zo werkte het ook bij andere takken van de wetenschap, zoals astronomie. De Grieken waren zeer bedreven in het meten en uitrekenen van afstanden en posities van locaties op de wereld. Eratosthenes van Cyrene (276~273 - ±194 v.Chr.) rekende de omtrek van de wereld uit door de lengte van de schaduwen van zuilen op verschillende plaatsen in Egypte, de afstand tussen deze plaatsen en het feit dat de wereld rond is (dat wisten ze toen al!), met elkaar in verband te brengen. Hij kwam uit tot een omtrek van zo'n 250.000 sportstadions (stadiën), een antieke lengtemaat, dat overeenkomt met een omtrek van tussen de 40.000 en 46.000 km, afhankelijk van welke stadionmaat hij aanhield. Ik ga dit vandaag niet bespreken, maar voor de liefhebbers, een filmpje van Carl Sagan:
Een andere schrijver, de minder bekende Censorius (3e eeuw n.Chr.) schreef over de afstand tussen verschillende hemellichamen en bracht dat in verband met iets verrassends (Over de geboortedag II):
[...] Pythagoras dacht dat het van de Aarde naar de Maan 126.000 stadiën was, hetgeen overeenkomt met de interval van een muzieknoot; dat het van de Maan naar Mercurius de halve afstand is, dus een halve noot; vanaf die ster [Mercurius] naar Venus was er ongeveer even veel, dus ook een halve noot; hiervandaan naar de Zon was driemaal die afstand, hetgeen overeenkomt met anderhalve noot [...]
Censorius gaat verder om ook Mars, Jupiter en Saturnus binnen een hele of halve noot afstand te leggen. Afgezien van het feit dat de afstanden onderschat zijn (de afstand van de Aarde naar de Zon legt hij rond de 50.000 km, in werkelijkheid ongeveer 150 miljoen km) is het opmerkelijk te zien dat deze afstanden in verband worden gebracht met muzieknoten. Zo denken we er tegenwoordig niet meer over na.
In het leven van een groot generaal komt eens in de zoveel tijd een moment waar een beslissing genomen kan worden. Dan roept hij zijn belangrijkste adviseurs bij elkaar, vraagt om hun mening en doet vervolgens precies wat hij zelf wil. We hebben een tijdje geleden gezien wat Hannibal naar zijn hoofd geslingerd kreeg na de Slag bij Cannae in 216 v.Chr. Vandaag hebben we het over Alexander de Grote (356 - 323 v.Chr.). Gedurende zijn verblijf in Azië krijgt Alexander een brief van koning Darius III van Perzië (±380 - 330 v.Chr.). Darius wist welke kant de wereld op ging en besloot Alexander een aanbod te doen: vrede, zijn dochter, een bak met geld, een bondgenootschap en de helft van het rijk in ruil voor vrede.
Volgens de Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.) besprak Alexander het aanbod met zijn generaals, waaronder Parmenion (±400 - 330 v.Chr.) en laatsgenoemde nam het woord (Alexander XXIX.8-9):
"Als ik Alexander was," zei Parmenion, "zou ik dit aanbod accepteren." "Dat zou ik ook doen," zei Alexander, "als ik Parmenion was." Maar hij schreef naar Darius: "Kom naar me toe en je zult alle hoffelijkheid ontvangen; maar doe je dat niet, dan zal ik meteen naar je toe marcheren."
Parmenion wist gelijk dat hij zijn mond beter kon houden...
Boekentip voor vandaag:
Plutarchus, Alexander
Wanneer de vijand voor de deur staat, kun je een paar dingen doen: je kunt in paniek raken, je kunt een slimme truuk bedenken, je kunt het gevecht aangaan of je kunt maken dat je wegkomt. De Griekse filosoof Bias van Priëne (6e eeuw v.Chr.), de man van de slimmer truuk, wist toen de Perzen onder Harpagus voor de poorten van zijn stand stonden, wel ongeveer hoe de wind woei. Volgens de Griekse historicus Herodotus van Halicarnassus (±485 - ±425 v.Chr) kwam Bias met een voorstel (Historiën I.170.2):
Hij adviseerde hen [de bevoling van Priëne en de ander Ionische steden] om de zee op te gaan en samen naar Sardinië te varen en één stad te stichten voor alle Ioniërs: zo zouden ze in het bezit van het grootste eiland van de wereld zijn en anderen overheersen en zouden ze vrij zijn van slavernij en in rijkdom zijn; maar als ze in Ionië zouden blijven, dan zou hij geen hoop op vrijheid voor hen kunnen zien.
Uiteindelijk waren het toch Grieken en die zijn te trots voor dit soort zaken. De Perzen veroverden de regio en bleven daar lang aan de macht.
Boekentip voor vandaag:
Herodotus, The Histories
Eergisteren besprak ik de Byzantijnse keizer Justinus II (±520 - 578 n.Chr.) en dat hij onder invloed van de duivel dierengeluiden maakte. Een opmerkzame lezer zou zich afvragen of dit het gruwelijkste is wat de duivel kon bedenken en het antwoord is natuurlijk "nee." Volgens de Syrische bisschop en historicus Johannes van Ephese (±507 - ±586 n.Chr.) die we gisteren ook al aan het woord hebben gelaten moest de keizerin regelmatig timmerlieden inhuren om de door haar man aangerichte schade aan het paleis te repareren en werd "fysieke kracht" toegevoegd aan het functie-eisen voor de functie van kamerheer, want (Kerkgeschiedenis III.3.2):
Van hen werd verwacht, op de manier die ik heb omschreven, om achter hem [Justinus] aan te rennen en hem te grijpen en omdat hij een sterke man was, zou hij zich tegen hen keren en hen grijpen met zijn tanden en hen verscheuren. Twee van hen beet hij zó erg in het hoofd dat ze ernstig gewond raakten en ze werden ziek [?] en het gerucht ging rond in de stad dat de keizer twee van zijn hovelingen had opgegeten.
Men vrage zich af of de bevolking van het Byzantijnse rijk niet met veel weemoed terugdacht aan Justinianus die tenminste niet zo onvoorspelbaar en bizar was, zij het een demoon.
Boekentip voor vandaag:
Johannes van Ephese, The Third Part of the Ecclesiastical History of John, Bishop of Ephesus
We hebben bij de Byzantijnse historicus Procopius (6e eeuw n.Chr.) al eerder gezien dat de keizers Justinus I en Justinianus I hem aanleiding gaven een bijzonder slecht beeld de wereld in te sturen. Als dit waar was, moet het Byzantijnse volk blij zijn geweest dat Justinianus na bijna 40 jaar aan de macht te zijn geweest, in 565 n.Chr. overleed, want hoeveel gekker kon het worden? Justinianus werd opgevolgd door zijn neef Justinus II (±520 - 578 n.Chr.) en die kreeg de taak om de Byzantijnen verder te leiden.
Helaas heeft Justinus II zich ook niet van zijn beste kant laten zien. Volgens de Syrische bisschop en historicus Johannes van Ephese (±507 - ±586 n.Chr.) bleek hij er raar gedrag op na te houden. Een snode engel plantte een waanzinnigheid in Justinus' zien en dat had zo zijn uitwerking (Kerkgeschiedenis III.3.2):
[...] Plotseling vernielde het [de engel] zijn redelijkheid en zijn geest was geprikkeld en verduisterd en zijn lichaam werd overgeleverd aan geheime en openlijke folteringen en wrede pijnen, waardoor hij zelfs de krijsen van verschillende dieren uitte. Hij blafte als een hond, blaatte als een geit en dan miauwde hij als een kat of kraaide als een haan en vele dingen werden door hem gedaan die tegen de rede van de mens in gaan omdat ze het werk van de vorst van de duisternis aan wie hij was overgeleverd was en die zijn begrip had verduisterd, hem gevangen had genomen en alles wat hij [Justinus] deed voor elkaar bracht.
Umm... ja. Dit maakt Caligula nog heel gewoon. Overmorgen gaan we verder...
Boekentip voor vandaag:
Johannes van Ephese, The Third Part of the Ecclesiastical History of John, Bishop of Ephesus
Een dikke week geleden kwam het advies van de Romeinse architect Vitruvius (± 85 - 20 v.Chr.) over het gebruik van bakstenen in bouwwerken aan bod. Vandaag gaat het over een ander belangrijk type bouwmateriaal: hout. Vitruvius onderscheidt verschillende houtsoorten die allemaal bepaalde eigenschappen hebben die afhangen van de samenstelling van de houtsoort in termen van de vier belangrijke elementen: aarde, lucht, water en vuur. Verder geeft Vitruvius nog een belangrijke tip voor het oogsten van het hout. Bomen moet je in de herfst omhakken en zeker niet in de lente. Hij vertelt het alleen een beetje lullig (Over Architectuur II.9.2):
[...] nóóit in de lente, want gedurende die periode zijn de bomen als het ware zwanger en dragen hun natuurlijke kracht over naar de jaarlijkse bladeren en vruchten die ze voortbrengen. Leeg en gezwollen worden ze, door hun grote poreusheid, nutteloos en zwak, net zoals we bij vrouwen na de bevruchting zien dat ze in matige gezondheid zijn tot de periode dat ze baren. Om die reden worden slaven niet als gezond beschouwd als ze zwanger zijn, want de foetus die groter en groter wordt in het lichaam ontneemt voedingsstoffen van al het voedsel dat de ouder consumeert en hoe dichter de tijd van het baren nadert, hoe zwakker de partij waardoor het wordt gedragen. Zodra de foetus is voortgebracht, keert het voedsel dat apart was gehouden voor het voeden van het andere wezen weer terug om het lichaam te voeden met de sappen die stromen naar de grote en lege vaten en om ervoor te zorgen dat het haar voormalige natuurlijke kracht en stevigheid hervindt.
Laat ik dit stukje eens opdragen aan mijn broertje en mijn schoonzusje die een kleine verwachten. Tara, zodra de lege vaten weer gevuld zijn, gaan we een keer de racefiets pakken!
Boekentip voor vandaag:
Vitruvius, The Ten Books On Architecture
Een paar maanden geleden besprak ik een toespraak van een gezant van Korinthe die bij de Atheners klaagt over het gedrag van de bewoners van Corcyra. Twee weken eerder besprak ik de rol van toespraken in het werk van de historicus waar deze toespraak vandaan komt, Thucydides (±460 - ±400 v.Chr.). Vandaag komen de Korinthiërs terug met hun toespraken en vandaag is duidelijk dat ze het hebben gehad met de Atheners. Athene koos na haar entente met de Korinthiërs en de bewoners van Corcyra de zijde van laatstgenoemde in het conflict. Daarmee wisten ze Korinthe tot vijand te krijgen.
Wanneer nog een aantal incidenten plaats heeft waar de Atheners bij betrokken zijn, besluit Sparta, de andere grote stadstaat naast Athene, dat het tijd is voor oorlog. Ze roepen hun bondgenoten bij elkaar en beraadslagen of er een oorlog aan komt. Korinthe mag volgens Thucydides als laatste spreken voor er gestemd werd. Het wordt een lang verhaal over wijsheid en moed en over het strijden tegen een despotenstaat die de Grieken overheerst, maar de toespraak begint met iets opmerkelijks. Nadat de Korinthische gezant de Spartanen prijst voor het feit dat ze ruggespraak kunnen leveren, zegt hij (Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog I.120.2):
Voor onszelf [steden aan zee of aan een belangrijke transportader], allen die al met de Atheners te maken hebben gehad, is geen waarschuwing nodig op voor hen op te passen. De staten die meer in het binnenland en uit de buurt van de communicatiewegen liggen dienen te begrijpen dat als ze nalaten de kuststeden te ondersteunen, het gevolg zal zijn dat ze het vervoer van hun goederen voor de export en het ontvangst van hun importen over zee belemmeren; en zij moeten geen zorgeloze beoordelaars van datgene dat nu gezegd wordt zijn, alsof het een ver-van-mijn-bed-show is voor hen, maar ze moeten verwachten dat de opoffering van de mogendheden aan de kust er op een dag voor zorgt dat het gevaar zich uitbreidt naar het binnenland en men moet begrijpen dat hun eigen belangen sterk gerelateerd zijn aan deze discussie.
Alles over roem, vrijheid, wijsheid en die andere dingen, dat zijn bijzaken. Uiteindelijk zitten we met een zeemacht als de Atheense die te groot begint te worden. Zo groot zelfs dat het in staat geacht wordt alle vervoer over zee te beheersen. In een tijd waarin zeetransport veel efficiënter ging dan transport met ossenkarren over onverharde bergpaadjes, was dit een belangrijke kwestie.
Boekentip voor vandaag:
Thucydides, The History of the Peloponnesian War