De Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) staat bekend als een gekleurd historicus. Twee mensen komen buitengewoon positief naar voren in zijn werk: de keizer uit zijn tijd, Tiberius (42 v.Chr - 37 n.Chr), en de beroemde redenaar uit de eeuw vóór zijn tijd, Marcus Tullius Cicero (106 - 43 v.Chr.).
Volgens Velleius is Cicero behoorlijk wat onrecht aangedaan. In zijn Romeinse Geschiedenis schrijft hij over de tegenwerking die de arme redenaar kreeg van de tribuun (een leidende politieke figuur) Publius Clodius Pulcher (II.45:1-2):
Tijdens zijn tribunaat kwam Clodius met een wetsvoorstel dat al wie zonder rechterlijk vonnis een Romeins burger ter dood had gebracht werd bestraft met verbanning. De naam Cicero viel hier niet expliciet, maar het wetsvoorstel was uitsluitend gericht tegen hem. En zo heeft een man met uitmuntende verdiensten jegens de staat het loon gekregen voor het behoud van het vaderland: het rampzalig lot van een balling.
Gelukkig werd Cicero na de termijn van Clodius weer teruggeroepen uit zijn vreselijke ballingschap aan de Griekse kust. Blijkbaar kon je in die tijd niet eens meer iemand zonder een eerlijk proces om zeep helpen!
In de laatste jaren van de regering van keizer Caligula (regerend van 37 tot 41 n. Chr.) en het begin van de regering van zijn opvolger was sprake van een hoop tumult in de metropolische stad Alexandria ad Aegyptum. Toen Caligula in januari werd gedood, kwam Claudius (10 v.Chr - 54 n.Chr.) aan de macht. In het najaar van dat jaar waren de onlusten een beetje weggeëbd en nam de keizer de moeite een brief te sturen die bij decreet van de gouverneur niet alleen voorgelezen werd, zoals gebruikelijk was, maar op openbaar getoond.
In de brief besteedt de keizer wat aandacht aan staatszaken rond burgerrecht voor mensen en het oprichten van standbeelden. Over het conflict tussen de Grieken en de Joden in de stad is hij duidelijk:
Wat betreft de verstoring en rellen tegen Joden - of liever, om de waarheid te zeggen, de oorlog - en welke mensen daar verantwoordelijk voor waren, ben ik, ondanks het feit dat uw gezanten in de confrontatie (met hun tegenstanders) het krachtigste waren - in het bijzonder Dionysios, de zoon van Theon - niet bereid een streng onderzoek in te stellen en ik bewaar in mij zelf onberouwvolle woede voor diegenen die het opnieuw doen oplaaien. Ik zeg u simpelweg dat ik, tenzij er een einde komt aan deze verwoestende en meedogenloze woede van jullie tegen elkaar, gedwongen zal zijn jullie te laten zien wat voor persoon een goedwillende leider kan zijn als hij tot rechtvaardige woede gebracht wordt.
Claudius gaat verder door te stellen dat de joden een zekere godsdienstvrijheid genieten, maar dat ze zich wel moeten gedragen en zeker geen losse missies naar Rome sturen alsof ze een andere stad zijn. Alexandria was een multiculturele stad, zoals Amsterdam en New York tegenwoordig, en Claudius hechtte daar duidelijk waarde aan.
In de Griekse mythologie kwamen er nogal wat zaken bij kijken als iemand stierf. De dode had een probleem als hij geen geld had voor Charon, de man die de veerpont naar de Onderwereld bestuurde. In de Onderwereld werden de schimmen van de overledenen berecht en ondergebracht in de betreffende afdeling.
Eén van degenen die het niet getroffen had, was Sisyphus, de stichter en koning van de stad Korinthe. Hij had geprobeerd oppergod Zeus te misleiden en had De Dood in de boeien geslagen. Pas nadat de oorlogsgod Ares eraan te pas kwam, werd hij ingerekend en naar de Onderwereld gebracht. Daar had men een creatief bedachte straf voor hem in petto. De Romeinse filosoof Titus Lucretius Carus (±99 - ±55 v.Chr.) vertelt (De Rerum Natura III.1006-1008) dat hij de straf kreeg,
Om met de schouder een steen de heuvel op te duwen
Die toch weer terug komt rollen vanaf de top,
En regelrecht maakt voor het niveau van de vlakte.
Vermoedelijk zou hij daar na een paar decennia wel genoeg van gekregen hebben, maar daar had hij eerder aan moeten denken! De goden lieten graag zien wie de baas was als je daar aan twijfelde.
Rome heeft in haar bestaan een aanzienlijk rijk opgebouwd, van Schotland tot Irak en van Marokko tot Roemenië. Opvallend is dat de Romeinen zich ook bemoeiden met aangelegenheden in gebieden die niet onder hun macht stonden. Zo stond halverwege de tweede eeuw voor Christus de Syrische koning Antiochus Epiphanes (±215 - 164 v.Chr.) voor de poorten van Alexandrië in Egypte, waar hij bezig was de stad te belegeren. De Romeinen waren het hier niet mee eens en stuurde de gezant Marcus Popilius Laenas met één opdracht: zorg dat de Syriër het beleg opheft. In verschillende bronnen komt naar voren wat Laenas deed. De Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) schrijft hierover (Romeinse Geschiedenis I.10:2):
Popilius maakte zijn boodschap duidelijk, waarna de koning zei dat hij er eens over zou denken. Toen trok de gezant met zijn staf een cirkel om de koning heen en formuleerde het als een bevel: eerst antwoord geven, dan pas mocht hij de cirkel in het zand uit. Zo kapte Romeinse kordaatheid 's konings overwegingen af, de order werd uitgevoerd.
Wellicht is dit een manier om geweld te stoppen als de VN Veiligheidsraad blijft dwarsliggen.
De Romeinen waren bang. Ze waren bang voor één van de grootste militaire genieën uit de geschiedenis, voor Hannibal Barca (247 - 183 v.Chr.), de generaal uit Carthago in het tegenwoordige Tunesië, de man die zijn olifanten via Spanje over de Alpen stuurde en Rome onverwacht vanuit het Noorden bestookte. Hannibal haalde meer dan eens opmerkelijke tactieken uit zijn trukendoos en wist voor de Romeinen nogal wat zweethandjes te veroorzaken. De Romeinse geschiedschrijver Cornelius Nepos (±100 - ±25 v.Chr.) beschrijft in zijn biografie van Hannibal één van die truuks (XXIII Hannibal V.2):
Hij misleidde Fabius, een zeer bekwame commandant, want hij stak, toen de nacht gekomen was, een aantal bundels van takjes in brand, bond deze vast op de hoornen van de runderen, en reed een groot aantal van die koeien her en der verspreid naar voren. De plotselinge aanblik van dit schouwspel veroorzaakte zo'n paniek in het Romeinse leger, dat niemand zich waagde te vertonen voorbij de wal.
In een wereld waarin de meeste religies uit gaan van het bestaan van één god is het Romeinse concept van religie voor veel mensen vreemd. Naast het feit dat er sprake was van een meergodendom was een god een wezen waar je veel invloed op kon uitoefenen. Goden waren feitelijk hele sterke en onsterfelijke mensen, met allerlei nukken die je bij mensen verwacht. Ze woonden daarnaast fysiek in standbeelden.
Eén van de vroege vijanden van de Romeinen waren de Etrusken uit de stad Veii. In 396 v.Chr raakten Rome en Veii in oorlog en werd voor de Romeinen volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (±59 v.Chr. - 17 n.Chr.) Marcus Furius Camillus (±446 – 365 v.Chr.), één van de helden uit de Romeinse geschiedenis, aangesteld als dictator (een tijdelijke positie met zeer veel macht). Hij begon aan de voorbereidingen voor de belegering van Veii en Livius schrijft dat de soldaten bezig werden gehouden om in ploegendienst belegeringswerktuigen te bouwen. Toen alles ongeveer klaar was, sprak Camillus zijn evocatio uit waarin hij Twee goden aanriep: een Romeinse en eentje uit Veii (Livius, Vanaf de stichting van de stad V 21:3-4):
"Onder uw leiderschap," riep hij uit,"Pythische Apollo, en geïnspireerd door uw wil, zal ik de stad Veii vernietigen en ik beloof u een tiende van de opbrengsten [van de plunder]. Tegelijkertijd vraag ik u, Koningin Juno, die nu in Veii verblijft, om zodra we hebben gewonnen met ons mee te komen naar onze stad - die binnenkort ook van u zal zijn - waar een tempel die uw grootsheid waardig is, u zal ontvangen."
Voor Romeinen bestonden alle goden. Daar was geen twijfel over mogelijk en dat was ook niet eens belangrijk. Wat gold is dat je er het beste maar voor kon zorgen dat je ze niet tegen de haren streek, want als puntje bij paaltje komt, zijn het net mensen!
Met de huidige economische problemen wordt vaak gewezen naar de rijken in het kapitalistische systeem die de armen uitbuiten om nóg rijker te worden. Als dit waar is, dan is dat in ieder geval niet nieuw, als we de Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr) moeten geloven. In zijn biografieën bespreekt hij ook de fat cat van de Romeinse geschiedenis, Marcus Licinius Crassus (115 - 53 v.Chr.) en hoe deze alleraardigste man aan zijn geld kwam (Crassus 2:4):
[...] hij merkte op dat branden en instorting van gebouwen in Rome normaal en gebruikelijk waren, omdat de gebouwen te groot waren en te dicht bij elkaar stonden. Daarom kocht hij slaven die architecten en bouwvakkers waren en dan, toen hij er meer dan 500 van had, kocht hij huizen die ofwel in brand stonden, ofwel die vlakbij een brand stonden; de eigenaren van deze eigendommen zouden, uit angst en onzekerheid, akkoord gaan met een zeer geringe prijs. Op die manier kwam het grootste deel van Rome in zijn bezit.
In een tijd dat de brandweer nog niet bestond was het voor de meeste mensen geen optie om niet in te gaan op het aanbod van Crassus. Zo kreeg je er tenminste nog schandalig weinig voor en dat is nog altijd beter dan niks.