Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label etnografie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label etnografie. Alle posts tonen

zaterdag 18 januari 2014

Weg, goden! Weg!

We hebben inmiddels gezien dat de Perzische generaal Harpagus (6e eeuw v.Chr.) in zijn veroveringstochten over het Westen van het huidige Turkije verschillende volkeren heeft onderworpen. Dit omdat de Griekse Historicus Herodotus (±485 - 425/420 v.Chr.) alles in het werk heeft gesteld om ze allemaal te noemen. Herodotus was naast historicus (en fantast) ook bijzonder geïnteresseerd in de eigenheid van verschillende gemeenschappen over de hele wereld.

Zijn eigen gemeenschap, de Cauniërs, moest er ook aan geloven. Herodotus maakt verslag van hun eigen manier van verzet plegen. Het probleem was namelijk niet het vijandige legen (Historiën I.172.2):
Zekere buitenlandse vereringsriten vestigden zich bij hen; maar later, toen ze er anders over dachten en enkel de goden van hun vaders wilden vereren, deden alle Caunische volwassen mannen hun wapens aan en gingen samen zo ver als de grenzen van Calynda [een nabijgelegen streek], waar ze hun speren in de lucht staken en zeiden dat ze de vreemde goden buiten trapten.
Het enige dat over de verovering verder genoemd is, is dat Harpagus de Cauniërs onderwierp. Blijkbaar werkt het niet bij iedereen om de goden ergens naartoe te sturen.

woensdag 30 oktober 2013

Er vallen veren

De Grieken uit de Oudheid hebben nooit een tekort gehad aan interessante weetjes over verre landen waar ze nooit komen en niemand was gedrevener in het verzamelen van dit soort zaken dan de historicus Herodotus (±485 - 425/420 v.Chr.). Zo vertelt hij over de Scythen ten Noorden van de Zwarte Zee, waar Grieken zich zelden laten zien. De Scythen waren een merkwaardig volk, maar ook de wereld zelf wordt vreemder naarmate je verder uit de buurt van Griekenland komt. Ten Noorden van de regio van de Scythen merkt Herodotus een bijzonder fenomeen op (Historiën IV.7.3):
Ten Noorden van de buren van hun land kan niemand (zeggen ze) verder zien of reizen, want er vallen veren; want de aarde en de lucht zitten vol met veren en deze belemmeren het zicht.
Een bijzonder weerfenomeen. Helaas had ook Herodotus zélf zo zijn twijfels. Verderop in zijn werk geeft hij aan dat hij vermoedt dat we het over sneeuw hebben (Historiën IV.31). Beetje een anticlimax.

Boekentip voor vandaag:
Herodotus, The Histories

zondag 16 juni 2013

De Bloeddorstigen uit het Oosten

De Perzen kenden hele andere gebruiken dan de Grieken, zoals we eerder hebben gezien bij de dronken politiek. Ook op andere gebieden gedragen Perzen zich anders. Zo noemt de Griekse historicus Herodotus (±485 - ±425 v.Chr.) de priesterkaste van de Magi. Deze volgelingen van het Zoroastrisme hielden er merkwaardige begrafenisrituelen op na. Waar het voor de Perzen doorgaans gebruikelijk was om de lichamen van overledenen in de smeren in was en ze vervolgens te begraven, was het voor de Magi noodzakelijk dat er nog wat anders plaatsvond (Historiën I.140.1):
Ik kan vanuit mijn eigen zekere kennis zoveel over hen zeggen. Maar er zijn andere zaken met betrekking tot de doden die geheimzinnig en vaag worden gezegd: dat de lichamen van de Perzen [de Magi] niet worden begraven voordat ze verminkt zijn door vogels of honden.
Nog meer over de dood bij de Magi weet Herodotus ook te vertellen, want de Magi vonden het belangrijk om veel dingen te doden (met uitzondering van mensen en honden). Herodotus vertelt dat ze graag mieren, slangen, dieren en vogels over de rand joegen. Een merkwaardig geval als je bedenkt dat deze Magi genoemd worden als Wijzen uit het Oosten in de Bijbel.

Boekentip voor vandaag:
Herodotus, The Histories

woensdag 28 november 2012

Dan hadden ze maar muziek moeten maken!

Toen de Romeinen verwikkeld waren in de Tweede Punische Oorlog (218 - 201 v.Chr.) was er aan de andere kant van de Adriatische Zee nog een ander conflict, de Bondgenotenoorlog (220 - 217 v.Chr.), die overigens niet verward moet worden met de Romeinse Bondgenotenoorlog (91 - 88 v.Chr.) waar ik het eerder over heb gehad. In deze oorlog streden een aantal Griekse stadstaten tegen elkaar om macht.

In deze oorlog werd op een gegeven moment de stad Cynaetha door de legers van de Aetolische Bond met de grond gelijk gemaakt. Volgens de Griekse geschiedschrijver Polybius (203 - 120 v.Chr.) was dat op zich wel terecht en dit is waarom (Romeinse Geschiedenis  IV.19:13ff):
De inwoners van Cynaetha, waar de Aetoliërs deze ellende over hadden gebracht, werden echter over het algemeen geacht hun lot het meer te verdienen dan wie dan ook, ooit. Omdat de Arcadische [Cynaetha was een Arcadische stad] bevolking in zijn geheel een hele goede reputatie voor deugden genoot onder de Grieken, niet alleen vanwege hun humane en gastvrije karakter en gebruiken, maar vooral omwille hun piëteit naar de goden, is het zinvol even stil te staan bij de kwestie van de barbaarsheid van de inwoners van Cynaetha en ons de vraag te stellen waarom zij, hoewel ze overduidelijk Arcadiërs waren, alle andere Grieken in die periode zo ver overtroffen in wreedheid en slechtheid. Ik denk dat de reden is dat zij de eerste en feitelijk het enige volk in Arcadië waren dat het bewonderenswaardige instituut, met mooie aandacht voor de natuurlijke omstandigheden waaronder alle inwoners van het land leven geïntroduceerd door hun voorouders, liet varen. Want het maken van muziek - ik bedoel échte muziek [Muziek was in die tijd een verzamelbegrip waar ook educatieve dingen onder vielen. Polybius doelt op gedichten die worden gezongen] - is goed voor iedereen, maar voor de Arcadiërs is het een noodzaak.[...]
Nu geloof ik dat deze gebruiken [muziek maken] door de mannen van vroeger niet waren geïntroduceerd als luxe-zaken en overbodigheden, maar omdat ze het universele doen van persoonlijke handarbeid in Arcadië voor ogen hadden, en in het algemeen de afmattendheid en hardheid van het leven van de mensen en de hardheid van karakter die voortkomt uit de koude en donkereomstandigheden die gebruikelijk voorkomen in deze gebieden - omstandigheden waar alle mensen zichzelf naar moeten assimileren [...] De primitieve Arcadiërs introuceerde alle gebruiken die in genoemd heb daarom met als doel het verzachten en temperen van de koppigheid en hardheid van de natuur, en daarnaast maakten ze het gebruikelijk voor de mensen, zowel mannen als vrouwen, om festivals en offerplechtigheden te bezoeken en dansen van jonge mannen en maagden en in feite allerlei dingen bedachten om de invloed van de extreme hardheid van de natuur op hun karakter milder te maken door de gebruiken die ze instelden. De inwoners van Cynaetha werden uiteindelijk zo wreed omdat ze deze instituties volledig lieten versloffen, hoewel ze juist zoveel noodzaak hadden in dergelijke invloeden, omdat hun land het meest onherbergzaam is en het met klimaat het meest onbarmhartig is in Arcadië en door zichzelf volledig toe te wijden aan lokale zaken en politieke rivaliteiten, werden ze zo wreed dat geen enkele stad in Griekenland grotere en meer constante misdaden pleegden.
Met andere woorden: muziek is toch wel belangrijk. Eerder zagen we dat je geen meisjes kunt krijgen als je niet zingt. Nu blijkt dat je er een monster door wordt.

Boekentip voor vandaag: Polybius, the Rise of the Roman Empire

maandag 29 oktober 2012

En ze noemen het vrede!

In 83 of 84 n.Chr. versloegen de Romeinse legioenen onder Gnaeus Julius Agricola (40 - 93 n.Chr.) bij de berg Mons Graupius in Caledonië (het huidige Schotland) de troepen die onder leiding stonden van ene Galgacus. Van deze strijd is een verslag opgetekend door de schoonzoon van Agricola, de bekende Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft in de biografie van zijn schoonvader hoe succesvol diens carrière wel niet was.

Daarnaast schrijft hij nog iets interessants. Zoals we eerder hebben gezien, schreven de historici in de Oudheid vaak zelf toespraken van veldheren en politici waarin ze niet zozeer de woorden van de spreker zelf citeerden, maar er zelf een verhaal van maakten. Tacitus is hierin interessant, want hij staat bekend als behoorlijk kritisch naar de Romeinen en hun imperialisme. Zo laat hij Galgacus voor aanvang van de Slag bij Mons Graupius de volgende woorden uitspreken (Agricola 30):
Tot op de dag van vandaag heeft de afgelegen ligging zelf en de uithoek van bekendheid ons, laatsten van de landen en van vrijheid, verdedigd. Nu staat de grens van Brittannië open en al het onbekende is tot ontzag. Maar er is reeds geen volk voorbij ons, niets behalve golven en rotsen, en de nog dreigendere Romeinen, wiens hoogmoed je tevergeefs zou proberen te ontvluchten door onderdanigheid en bescheidenheid. Rovers van de wereld onderzoeken ook al de zee, nadat landen voor hen die alle dingen verwoesten ontbreken. Als de vijand rijk is, zijn ze hebzuchtig, indien arm, heerszuchtig; hen zou noch het westen, noch het oosten kunnen verzadigen. Als enigen van allen begeren zij zowel rijkdom als armoede met gelijke drang. Roven, moorden en plunderen noemen ze met valse namen een rijk, en, waar ze een woestenij maken, noemen ze het vrede.
Tacitus houdt de Romeinen hiermee een spiegel voor. Het oude Romeinse idee van een rechtvaardige oorlog is ver te zoeken en Tacitus is ook een schrijver die de teloorgang van deze waarde uit de Romeinse Republiek betreurt. Daarnaast komt het modern over. Toen de Amerikanen Irak aanvielen, hoorde je ook dit soort kritiek. In zoverre kunnen we stellen dat de grote mogendheden altijd de schijn tegen hebben. 

maandag 6 augustus 2012

Een continent in de oceaan

Als kind speelde ik altijd het bordspel Atlantis waar je mannetjes in veiligheid moest brengen omdat een eiland stukje bij beetje (iedere beurt een stukje) verdween. Atlantis heeft een bijzondere positie in de populaire cultuur, want het verhaal van het gezonken continent spreekt veel mensen aan. Daarnaast is er een zoektocht gaande om Atlantis te kunnen plaatsen. Een van de redenen waarom is omdat we het verhaal van Atlantis niet van de eerste de beste hebben overgeleverd gekregen, maar van de Griekse filosoof Plato (427 - 347 v.Chr.).


In zijn werk Timaeus schrijft Plato over een verhaal van een Egyptische priester die vertelt dat 9000 jaar geleden (dus nu inmiddels een kleine 11500 jaar) een eiland verdween. De priester komt met details (Timaeus 25e-25b):
Er lag een eiland voor de zee-engte die je nu de Zuilen van Herakles [Straat van Gibraltar] noemt. Dat eiland was groter dan Libië [Noord-Afrika] en Klein-Azië [Turkije] samen en reizigers van toen konden van daar naar de andere eilanden oversteken en zo naar het gehele tegenoverliggende continent dat die oceaan omsloot. Want de zee hier ligt binnen de zeestraat waar wij over spreken en is dus eigenlijk meer een haven met een nauwe toegang, maar die andere is pas echt een zee en het land dat daaromheen ligt, kan met recht een continent worden genoemd. Op dat eiland, Atlantis, bestond een machtig en indrukwekkend verbond van koningen die heersten over het hele eiland en over nog veel meer eilanden en delen van het vasteland. In het gebied aan deze kant van de zee-engte voerden zij bovendien nog de heerschappij over Libië tot aan Egypte en over Europa tot aan Tyrrhenië [ mogelijk West-Italië].
Als kind was ik al bezig met Plato... 

donderdag 10 mei 2012

Waar de koe gaat liggen

In de Oudheid was er een belangrijke traditie van schrijvers die steden of volkeren probeerden te duiden. Soms werden speciale kenmerken van het volk in kwestie ergens aan toegedicht, zoals bij de Hunnen het geval was en vaak was het een mythische figuur die een stad gesticht zou hebben en daar de zijn naam aan zou hebben meegegeven. Meestal zat er een zekere mythologische slag in het verhaal. 


Eén van de grote etnografen uit de Oudheid was de Griek Strabo (64 v.Chr. - 19 n.Chr.) die bekend is geworden door zijn werk Geografika. Interessant hierin is dat hij hele gebieden langsloopt en allerlei wetenswaardigheden over die gebieden en hun inwoners oprakelt. Op een gegeven moment komt Strabo uit bij een volk waar de Romeinen veel mee te maken hadden, de Samnieten. Deze kwamen voor uit een zogenaamde ver sacrum (heilige lente) waarin alles wat in een bepaalde lente werd geproduceerd (en dat mag je breed zien), zou worden gewijd aan een godheid. Strabo vertelt (Geografika 5.4.12): 
De Sabini, die al een hele tijd in oorlog verwikkeld waren met de Ombrici, zweerden (zoals sommige Grieken dat doen) om alles dat dat jaar was geproduceerd te wijden; en bij het behalen van de overwinning offerden zij een deel en wijdden zij een deel van wat geproduceerd was. Vervolgens trad schaarste op en iemand zei dat ze ook de baby's [die in dat jaar waren geboren] moeten wijden; dat deden ze en ze wijdden alle kinderen die dat jaar waren geboren aan Mars [de oorlogsgod] en deze kinderen, toen ze volwassen waren geworden, zonden zij weg als kolonisten en ze werden geleid door een stier. Toen die zich te ruste legde in het land van de Opici (die toevallig alleen in dorpen leefden), verdreven de Sabini hen, vestigden zich op die plek en slachtten naar de uitspraken van de zieners [religieuze adviseurs, eenvoudig gezegd] de stier als een offer aan Mars die het als gids had gegeven.
Strabo gaat verder met de oorsprong van dit volk en komt nog uit bij een zelfde situatie, namelijk de oorsprong van de Hirpini. Dat waren ook kolonisten. Zij werden geleid door een wolf (hirpus in het Samnitisch).

donderdag 26 april 2012

De mieren van de koning

Herodotus van Halicarnassus (±485 - ±425 v.Chr) wordt vaak de Vader van de Geschiedschrijving genoemd. Hij is ook de bedenker van de namen van de werelddelen Afrika, Europa en Azië. In zijn werk beschrijft hij naast de Perzische Oorlogen, waar ik het eerder over gehad heb, ook wat hij op zijn vele wereldreizen tegengekomen is. Met eigen ogen heeft hij naar eigen zeggen nogal wat opvallende zaken gezien. Zo aanschouwde hij in Caspatyrus (een gebied in het huidige Afghanistan) het volgende tafereel (Historiën III.102:2)
In deze zandwoestijn zijn mieren die niet zo groot zijn als honden, maar groter dan vossen. De Perzische koning heeft een aantal van hen die hij daar gevangen heeft. Deze mieren leven onder de grond en graven het zand uit op dezelfde manier als dat mieren in Griekenland, waar ze heel erg op lijken wat vorm betreft, dat doen en het zand dat ze vanuit die gaten dragen, dat zit vol met goud.
Dit heeft hij zelf gezien! Mieren die goud ophalen uit de grond. Handig voor de koning!