Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label Otho. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Otho. Alle posts tonen

woensdag 8 januari 2014

Nat brood op je gezicht

De Romeinse geschiedenis lijkt een geschiedenis van krachtige generaals, doortrapte verraders en vrouwen met een zekere morele flexibiliteit te zijn geweest, maar ook in de Romeinse wereld geldt: zoveel mensen, zoveel karakters. Dat ook Romeinen zo hun eigenaardigheden hadden, mag wel duidelijk zijn na bijna twee jaar blogberichten. 

Vandaag gaat het over keizer Otho (32 - 69 n.Chr.), die eerder besproken is en naar voren kwam als een ambitieuze (maar daarin gefrustreerde) man die niet terugdeinsde voor een aanslag op de keizer. Hij slaagde daarin, maar was zelf niet veel later de volgende. Een beeld dat je bij Otho kunt hebben, is dat van een verwend nest die altijd in een gespreid bedje terecht is gekomen en door het lint ging toen het leven niet zijn kan op ging. De Romeinse biograaf Gaius Suetonius Tranquillus (69/70 - 140 n.Chr.) geeft een korte schets van Otho's leven buiten de politieke arena waarin dit beeld ook een beetje naar voren komt (Otho XII):
In zijn uiterlijke verzorging was hij pijnlijk nauwgezet, haast als een vrouw. Hij epileerde zich en droeg, omdat hij weinig haar had, een pruik, die zo goed bij hem paste dat niemand hem opmerkte. Hij had zelfs de gewoonte zich dagelijks te scheren en daarna een masker van vochtig brood aan te brengen. Daar was hij al mee begonnen toen het eerste dons was verschenen, om nooit een baardige indruk te maken.
Niet iedereen die zich scheert en zelfs niet iedereen die nat brood op zijn gezicht smeert is een diva, maar Otho wel, denk ik...

vrijdag 31 mei 2013

De aanslag van de architect en de aannemers

Het jaar 69 n.Chr. was één van de meest veelbewogen jaren uit de Romeinse geschiedenis. Vier keizers waren in dat jaar de machtigste man van het rijk en de eerste drie stierven geen natuurlijke dood, om het zo maar te zeggen. Na de dood van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) in 68 kwam de oude generaal Servius Sulpicius Galba (3 v.Chr. - 69 n.Chr.) aan de macht. Hij had een troonopvolger gekozen in verband met zijn leeftijd. Dit was echter niet Marcus Salvius Otho (32 - 69 n.Chr.) en dat was niet wat Otho in gedachten had. Hij beraamde een aanslag.

De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.) beschrijft hoe Otho werd opgehaald uit een gezelschap met de keizer (Historiën I.27):
Een ogenblik later kwam zijn vrijgelatene [van Otho, vrijgelaten slaven bleven in de Romeinse samenleving sterk verbonden aan hun voormalige meester] Onomastus hem de boodschap brengen dat de architect en de aannemers hem verwachtten.
Op het eerste gezicht een merkwaardig citaat in een stukje over een moordaanslag. De reden dat ik dit noem is omdat de woorden die Tacitus gebruikt dubbelzinnig zijn. Architectus kan bouwmeester betekenen, maar ook aanstichter ergens van. Redemptor kan een aannemer zijn, maar ook iemand die door losgeld iets of iemand bevrijdt. Galba had dit nooit voorzien. Het wordt wel eens gezegd dat de Oudheid alleen bestudeerd kan worden in het Latijn of het Grieks, omdat vertalingen altijd wat laten liggen in dit soort woordspelingen. Daar valt zeker wat voor te zeggen.

Boekentip voor vandaag:
Tacitus, Historiën
J. Marincola, A Companion to Greek and Roman Historiography


donderdag 24 mei 2012

Geen eer te behalen!

Zoals we bij bijvoorbeeld de Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) al eerder hebben gezien, is het bij geschiedenis, zeker ook van de Oudheid, zaak om je te realiseren wie de tekst die je zit te lezen, heeft geschreven. In veel gevallen zijn de schrijvers betrokken bij datgene dat ze beschrijven. Veel Romeinse historici waren daarnaast hoge politici en hadden als zodanig belang bij een bepaalde weergave van de geschiedenis.


Een bekend voorbeeld hiervan is de Romeinse geschiedschrijver, redenaar en consul Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft onder anderen het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr.) waarin na de door van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) Galba, Otho, Vitellius en uiteindelijk Vespasianus aan de macht waren als keizer. Het jaar bestond uit machtstrubbelingen waarin de generaals elkaar afwisselden. Toen Otho aan de macht was en door Vitellius' troepen werd verslagen, brak er volgens Tacitus onrust uit in het legerkamp van Otho's troepen. Generaals vluchtten en de onderbevelhebber Vedius Aquila van één van Otho's legioenen raakte daarin verzeild (Historiën 2.44):
Vedius Aquila, de onderbevelhebber van het dertiende legioen - zijn onberaden angst deed hem slachtoffer worden van de woede van de soldaten. Het was nog klaarlichte dag toen hij binnen de legerwal kwam en met luid getier de oproerlingen en degenen die wilden vluchten hem tot het middelpunt maakten van hun tumult. Voor geen scheldwoorden, voor geen handtastelijkheden ontzien zij zich zij jouwen hem uit voor deserteur en verrader, niet omdat nu juist híj zich aan een bijzonder misdrijf had schuldig gemaakt, doch naar de gewoonte van het grauw, dat man voor man de neiging heeft de schuld van eigen schande anderen in de schoenen te schuiven.
Het gewone volk, waar deze soldaten kennelijk tot hoorden, was voor de meeste schrijvers van de senatorenstand geen knip voor de neus waard en Tacitus laat hier ook duidelijk zien dat er geen eer te behalen was voor Aquila.