Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label Carthago. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Carthago. Alle posts tonen

donderdag 4 juli 2013

We menen het écht hoor!

Nu ik het de afgelopen tijd een paar keer over Mithradates heb gehad, is het weer eens tijd die andere grote vijand van de Romeinse Republiek, Hannibal Barca (247 - 183 v.Chr.) te bespreken. Toen Hannibal in Italië zat en de Romeinen een aantal grote nederlagen had toegebracht, werd in Macedonië besloten dat de Carthagers er heel goed voor stonden, dus dat het slim was ze nu te gaan steunen tegen de Romeinen.

In zijn TheHistoryOf podcast over Hannibal (die ik al eerder heb aangeraden) bespreekt Jamie Redfern wat er gebeurde toen de Macedoniërs contact opnamen met de Carthagers. Vandaag gaat het over een stukje van de tekst van het verdrag dat de Macedoniërs probeerden de Adriatische Zee over te trekken. Eerder besprak ik een wettekst uit de late Romeinse tijd waarin voor de namen van de keizers (vier stuks) en hun CV's werden genoemd. De tekst van het verdrag is overgeleverd door de Griekse historicus Polybius (203 - 120 v.Chr.) en hij vertelt wie er allemaal aangeroepen werden (Romeinse Geschiedenis VII.9.2-3):
In de aanwezigheid van Zeus, Hera en Apollo, in de aanwezigheid van de geest van Carthago, van Heracles en Iolaus, in de aanwezigheid van Ares, Triton en Poseidon, in de aanwezigheid van de goden die voor ons strijden en de Zon, de Maan en de Aarde, in de aanwezigheid van de Rivieren, Meren en Wateren, in de aanwezigheid van alle goden die Macedonië en de rest van Griekenland bezitten, in de aanwezigheid van alle goden van het leger die presideren over deze eed.
Met al die goden moeten we er zeker van zijn dat ze het menen.

Boekentip voor vandaag:
Polybius, The Rise of the Roman Empire

donderdag 11 april 2013

De man die Hannibal berispte

Eén van de grote vragen rond de veldtocht van de Carthaagse generaal Hannibal Barca (247 - 183 v.Chr.) is waarom hij na de hier reeds besproken Slag bij Cannae in 216 v.Chr. niet direct naar Rome ging om de stad te veroveren. Het Romeinse leger was compleet afgeslacht, alsmede een groot deel van het potentieel aan generaals om opgetrommelde vervangers te kunnen leiden. In zijn uitstekende podcast over Hannibal besteedde host Jamie Redfern al eens een special aan deze opvallende beslissing.

Er was ook een special over de te nemen beslissing in het Carthaagse kamp. Gaan we Rome belegeren? Volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 v.Chr. - 17 n.Chr.) was het geen uitgemaakte zaak wat de Carthagers gingen doen en er kwam een meeting bijeen. Het ene kamp was voorstander van een pauze voor de soldaten om te herstellen en vervolgens een volgende stap te zetten. Hannibal's cavaleriecommandant Maharbal was een grote voorstander van direct handelen. Hannibal stelde voor er een nachtje over te slapen voor hij een definitieve beslissing zou nemen. Dit is wat Maharbal zei volgens Livius (Vanaf de Stichting van de Stad 22.51.4):
Toen zei Maharbal: In alle eerlijkheid geven de goden dezelfde man niet alle talenten. Je weet hoe je een overwinning kunt behalen, Hannibal; je weet niet hoe je er een kunt gebruiken." Die vertraging van een dag wordt algemeen beschouwd als de redding van de stad en het rijk.
Hannibal ging uiteindelijk niet naar Rome en de kansen in de oorlog sloegen langzaam om. Of dat niet was gebeurd als Maharbal Hannibal had kunnen overtuigen, dat zullen we nooit weten, maar misschien is dit wel zo'n moment waar de geschiedenis er heel anders uit had kunnen zien als het net anders was gegaan. Dat maakt Hannibal misschien wel zo interessant.

Boekentip voor vandaag:
Livius, History of Rome

vrijdag 14 december 2012

Wie is de grootste generaal aller tijden?

De vraag wie de grootste generaal aller tijden is, is vaak voer voor interessante discussies onder geïnteresseerden en historici. Hoe vergelijk je Napoleon en Montgomery? Wie was beter, Djenghis Khan of Caesar? Kun je uren over doorgaan en er is geen definitief antwoord te geven. Hoe bepaal je wanneer iemand een goede generaal is? Als een geniaal generaal iets tegenkomt wat hij niet had kunnen voorzien en daardoor verliest, is hij dan nog steeds geniaal? Dat Tom Middendorp nu korte metten zou maken met Caesar, dat zegt vermoedelijk meer over de technologie dan over de generaal.

Deze interessante vraag kwam in de Oudheid ook voor in een gesprek tussen twee mensen die weten waar ze het over hebben, namelijk twee van de grootste legeraanvoerders uit de geschiedenis, Hannibal (247 - 183 v.Chr.) uit Carthago en zijn grote tegenstander Publius Cornelius Scipio Africanus (236 - 183 v.Chr.). Scipio had Hannibal verslagen in de Tweede Punische Oorlog (218 - 201 v.Chr.) waar Hannibal veel indruk had gemaakt door zijn tactische genie (zie hier, hier en hier voor voorbeelden).

Na de Tweede Punische Oorlog werd Hannibal verbannen uit Carthago en vond hij asiel bij koning Antiochus de Grote (241 - 187 v.Chr.) van Syrië. Later raakte hij in gesprek met Scipio. De Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.) vertelt over het gesprek tussen deze twee legerleiders (Titus Flamininus 21.3-4):
Men zegt verder dat de twee [Scipio en Hannibal] elkaar weer tegenkwamen in Ephesus [West-Turkije] en dat ten eerste, toen ze samen rondliepen, Hannibal aan de kant liep die eerder behoorde aan Scipio, de grotere, dat Scipio dit pikte en doorliep zonder er veel aandacht aan te besteden; en nogmaals, toen ze zich bezighielden met het bespreken van generaals en Hannibal zei dat Alexander [de Grote] de grootste van alle generaals was, Pyrrhus tweede en hijzelf derde, vroeg Scipio met een glimlach: "En wat zou je gezegd hebben als ik je niet had overwonnen?" Waarop Hannibal antwoordde: "In dat geval, Scipio, zou ik mezelf geen derde, maar eerste van de generaals rekenen."
Interessante discussie. Volgens Plutarchus hadden deze vijanden toch wel respect voor elkaar. Hannibal geeft daarnaast wel aan dat hij zelf de grotere generaal is, maar als hij zou hebben gewonnen, was hij nog groter dan Alexander. Wat zegt dit over Scipio?

Boekentip voor vandaag:
Plutarchus, Lives of Noble Grecians and Romans
Adrian Goldsworthy, The Fall of Carthage

dinsdag 4 december 2012

Een duwtje in de rug richting bijna-doem

Het is alweer bijna drie maanden geleden sinds het genie van de Carthaagse generaal Hannibal (247 - 183 v.Chr.) aan bod gekomen is. Eigenlijk is dat ook wel toepasselijk, want tijdens de Tweede Punische Oorlog  (218  - 201 v.Chr.) tegen de troepen van Hannibal kwam in Rome iemand aan de macht die de geschiedenis in is gegaan als Cunctator ("de Twijfelaar"). Zijn naam was Quintus Fabius Maximus (±275 - 203 v.Chr.). Er gebeurde simpelweg bijna niets dat het vermelden waard was.

Als dictator besloot Fabius om niets te doen en Hannibal en zijn troepen te laten uitrazen. Hannibal had al een aantal Romeinse legers in de val gelokt en dat zou Fabius niet overkomen, dus besloot hij een tactiek te hanteren die later de Fabische strategie werd genoemd: voorkom een confrontatie. Deze handelswijze mag de Romeinen hebben gered, maar staat haaks op de Romeinse moraal. Romeinen verachtten lafheid en met een beetje kwade wil valt Fabius' voorzichtigheid als lafheid te kenschetsen. Er ontstond steeds meer weerzin tegen de dictator en zijn positie verzwakte. Hannibal - het zal weer eens niet - begreep dit en wist hier op in te spelen door een slinkse suggestie. De Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.) vertelt in zijn biografie van Fabius (Fabius Maximus 7:2-3):
Hannibal beval om meer wrok bij de Romeinen jegens Fabius te ontvlammen, toen hij bij diens landbezit aankwam, al het andere te verbranden en te verwoersten, maar deze [het landbezit van Fabius] te sparen. Hij zette zelfs een wacht op die niet tolereerde dat iemand het land wat aandeed of er wat van nam. Toen dit gerapporteerd werd in Rome, bracht het meer haat jegens Fabius. De volkstribunen [belangrijke politieke functionarissen] bleven hem constant veroordelen, vooral op aandringen van Metilius; niet dat Metilius Fabius haatte, maar hij was familie van Minucius, de Meester van de Paarden [de rechterhand van een dictator] en hij dacht dat de karaktermoord van de een roem voor de ander betekende.
Zoals gewoonlijk liepen de Romeinen met open ogen in de val van Hannibal, namen geruchten over een geheime afspraak tussen Hannibal en Fabius voor waar aan en stelden de agressievere Minucius aan als mede-dictator. Bij de volgende veldslag was het Fabius die zijn collega nog redde en hierdoor kon hij zijn periode als dictator positief afsluiten. Deze anekdote zegt echter heel veel over de Romeinse volksaard en de manier van beslissingen nemen. Romeinen waren vechters en konden niet voorzichtig zijn. Daarnaast was de politieke arena een slangenkuil waar politici en hun families elkaar vliegen afvingen, soms tot Rome er bijna aan onderdoor ging.

Boekentip voor vandaag:
Plutarchus, Lives of Pericles and Fabius Maximus, Nicias and Crassus
C. King, The Cunctator: How Fabius Maximus Saved Rome (kindle)

  

dinsdag 20 november 2012

Kinderen levend verbranden voor het goede doel

Wat vaak opvalt als je kijkt naar de geschiedenis en dan in het bijzonder die van lang geleden of van ver weg, is dat normen anders kunnen zijn. De meest in het oog springende zaken zijn misschien wel het ritueel om het leven brengen van mensen. Het bekendste voorbeeld daarvan is ongetwijfeld te vinden bij de Azteken in Midden-Amerika, maar dichter bij huis zijn ook voorbeelden. De Romeinen moesten er niets van hebben, al wordt gezegd dat de hier al eerder genoemde Hannibal (247 - 183 v.Chr.) hen wel zo ver kreeg om tot het uiterste te gaan om de setun van de goden te vinden. Het was voor de Romeinen hoe dan ook niet normaal om te doen.

Bij Hannibal thuis, in Carthago, is reden aan te nemen dat er wél sprake was van mensenoffers. Rondom verschillende Carthaagse steden zijn tophets gelokaliseerd. Dit zijn locaties waar grote aantallen kruiken met resten van jonge kinderen bij elkaar gevonden zijn. Hoewel deze tophets ook gewoon begraafplaatsen kunnen zijn geweest, worden ze in verband gebracht met het offeren van kinderen aan de god Baäl. De Siciliaanse historicus Diodorus Siculus (±90 - ±30 v.Chr.) geeft een duidelijk en expliciet beeld van hoe het er volgens hem aan toe ging (Bibliotheek 20.14.5-6)
Toen ze hadden nagedacht over deze dingen [dat de goden boos waren] en de vijand in het kamp voor hun muren hadden gezien, waren ze vervuld van bijgelovige angst, want ze geloofden dat ze de eer van de goden die door hun vaders waren gevestigd, hadden verwaarloosd. In hun geestdrift om vergoeding te verschaffen voor deze nalating, kozen ze tweehonderd van de edelste kinderen uit en offerden hen openlijk; en anderen die verdacht waren, offerden zichzelf vrijwillig, in aantal niet minder dan zeshonderd. Er was een bronzen beeltenis van Cronus [Baäl of Moloch] in de stad, die zijn armen uitstrekte, palmen omhoog en naar de grond aflopend, zodat wanneer er een kind in geplaatst zou worden, deze naar beneden zou rollen en in een soort gapend gat, gevuld met vuur zou vallen.
Dit was voor de Romeinen een gruwel van de eerste orde, net als voor ons. Of het waar was dat dit gebeurde, daar zijn archeologen het nog niet over eens, maar dit stuk van Diodorus was voor Romeinen als de eerder genoemde Marcus Porcius Cato de Oudere (234 - 149 v.Chr.) wel koren op de molen. De Romeinen moesten de Carthagers aanvallen! Zo geschiedde en omdat de geschiedenis altijd geschreven wordt door de winnaars, weten we niet wat er nou precies gebeurde.

zaterdag 13 oktober 2012

Een hamer, een beitel en een olifant

Het mag bekend verondersteld worden dat de Carthaagse legers gebruik maakten van olifanten tijdens veldslagen. Deze dieren worden nogal eens gezien als de tanks van de Oudheid, maar die eer komt ook nogal eens bij twee andere gevechtsmethoden op, bij de Griekse Falanx-formatie en bij de strijdwagens van het Nabije Oosten. Er is echter een groot verschil tussen die drie verschillende soorten tanks. Een Falanx bestaat uit mensen en is daarmee redelijk te besturen en ook voor een strijdwagen geldt dat je vrij goed kunt voorspellen waar die heen gaat. Een olifant is daarentegen een wild dier en dat betekent dat hij opeens kan omdraaien en naar de eigen legers kan stormen. Hoe voorkom je dat?

Volgens de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 v.Chr. - 17 n.Chr.) meldt ons dat de Carthaagse generaal Hasdrubal daarmee geen risico nam. Hij instrueerde de olifantenmenners in zijn leger de olifanten te doden als ze niet meer te controleren waren (Vanaf de stichting van de stad 27.49.1-2):
Meer olifanten werden gedood door hun menners dan door de vijand. Zij hadden een beitel en een houten hamer van een timmerman bij zich en als het gek geworden beest richting hun eigen mannen stormde, plaatste de menner de beitel tussen de oren, precies waar het hoofd in de nek over ging en sloeg hem aan met al zijn kracht. Dit was de snelste manier die ze hadden gevonden om deze enorme dieren te doden als er geen hoop meer was ze onder controle te houden en het was Hadrubal die dit als eerste introduceerde.
In een wereld van Romeinse gevechten in computerspelletjes kan makkelijk gedacht worden dat je formaties met olifanten met een muisklik op de vijand kunt laten aanvallen, maar zo makkelijk gaat dit natuurlijk niet. Olifanten die opeens omdraaien moeten veel ellende hebben aangericht onder de bevriende legers. Hasdrubal heeft hier waarschijnlijk heel wat levens mee gespaard.

zaterdag 1 september 2012

One-issue-politiek

Over minder dan twee weken mogen we weer stemmen in Nederland. Eén van de opties die je hebt, is stemmen op de Partij voor de Dieren, met lijsttrekker Marianne Thieme. Die heeft een opvallende band met de Romeinse Oudheid en met één persoon in het bijzonder, Marcus Porcius Cato de Oudere (234 - 149 v.Chr.). Deze politicus genoot veel aanzien als een goed bestuurder en stond als zeer conservatief bekend. Zijn ideeën hingen aan het idee van de Romeinse deugden. Tot zover weinig gelijkenissen, maar Thieme maakt gebruik van een politiek middel waar Cato beroemd mee is geworden, want ze sluit haar toespraken altijd af met "Voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie."

Cato had weinig problemen met de bio-industrie, maar wel met de grote vijand van de Romeinen uit zijn tijd: Carthago, in het huidige Tunesië. Hij had een heel duidelijk idee over de oorlog en gebruikte die bij iedere toespraak die hij in de senaat hield. De beroemde uitspraak is in het Latijn bijna net zo bekend als in het Nederlands: Ceterum censeo Carthaginem delendam esse (of "esse delendam" wat in het Latijn beide correct is). De Griekse biograaf Plutarchus (46 - minstens 120 n.Chr.) vertelt het volgende (Cato  27):
Het wordt gezegd dat Cato een Libische vijg in de in de senaat niet vallen toen hij aan de plooien van zijn toga schudde, en dat hij terwijl de senatoren de grootte en schoonheid ervan bewonderden, zei dat het land waar dit groeide slechts drie dagen varen vanaf Rome was. In één ding was hij nóg wreder, namelijk in het feit dat hij iedere keer als hij waar dan ook over stemde, deze woorden toevoegde: "In mijn mening moet Carthago verwoest worden."
Uiteindelijk kreeg Cato zijn zijn, maar hij heeft het niet meer mee kunnen maken. In 149 stierf de politicus, drie jaar later viel Carthago.

dinsdag 31 juli 2012

Hannibal's haarstijl

Het zal de lezer van dit blog niet zijn ontgaan dat de Carthaagse veldheer Hannibal (247 - 183 v.Chr.) één van mijn favoriete historische personen is. Dit omdat hij uit de bronnen naar voren komt als een man met een neusje voor het geniale en onverwachte. Hij zal nog vaak genoeg de revue passeren met slagformaties en strategische trucs, maar vandaag komen we een Hannibal tegen die op zijn hoede is. 


De Griekse geschiedschrijver Polybius (203 - 120 v.Chr.) verhaalt namelijk over een episode in de Tweede Punische Oorlog (218 - 201 v.Chr.) waar Hannibal en zijn leger na de overwinning bij de Trebia oprukken in de richting van Rome en daarbij verschillende legertjes van overwonnen volkeren aan hun leger toevoegden. De Kelten uit Noord-Italië stonden alleen niet als loyaal te boek. Hannibal vreesde voor zijn leven en bedacht iets. Polybius vertelt (Romeinse Geschiedenis 3.78.3-4):
Omdat hij de wispelturigheid van de Kelten en mogelijke aanslagen op zijn leven vreesde, omdat de vriendschappelijke relaties met hen nog zo recent waren, liet hij een aantal pruiken maken, geverfd om te passen bij het uiterlijk van personen van uiteenlopende leeftijden, en hij bleef ze constant wisselen, terwijl hij tegelijkertijd ook een kledingstijl aanmat die paste bij de pruik, zodat niet alleen degenen die hem even een moment hadden gezien, maar ook zij die hem kenden, moeite hadden om hem te herkennen.

woensdag 25 juli 2012

Op een lege maag: Trebia

De Carthaagse generaal Hannibal (247 - 183 v.Chr.) is in dit blog al eerder aan bod gekomen. Zijn vindingrijk in logistiek en oorlogsvoering kennen geen gelijke. De Romeinen kregen daar nog een aantal keer mee te maken tijdens de Tweede Punische Oorlog (218 - 201 v.Chr.). Aan het begin van de oorlog, toen Hannibal net de Alpen overgestoken was, was één van de Romeinse consuls, Tiberius Sempronius Longus (±260 - 210 v.Chr.) net met zijn aangekomen na een mars van 40 dagen naar de Po-vallei. Het was toen hartje winter. Longus kwam daar met één doel: de strijd beslissen in het voordeel van de Romeinen en hij had daarvoor een groot leger tot zijn beschikking.


De Griekse geschiedschrijver Polybius (203 - 120 v.Chr.) beschrijft wat Hannibal deed toen hij achter de plannen van Longus kwam (Romeinse Geschiedenis III.71.1):
Hij had een plaats tussen de twee kampen opgemerkt die vlak en boomloos was, maar wel voor een hinderlaag gebruikt kon worden omdat het doorkruist werd door een waterloop met steile oevers en dichtbegroeid was door braambessen en andere stekelige planten; hij stelde een strategie voor om de vijand hier te verrassen.
Het idee was om het Romeinse leger uit de tent te lokken en vervolgens in een hinderlaag te laten lopen op deze plek. Maar hij dacht verder. Het was erg koud en het sneeuwde af en toe en wat je dan écht nodig hebt, dat is een fatsoenlijk ontbijt voor man en paard. Dus stonden de Carthagers die morgen vroeg op en gebruikten een ontbijt, alvorens ze de Romeinen opzochten, die daarvan niet op voorhand op de hoogte waren gesteld. Polybius vertelt (Romeinense Geschiedenis III.72.3-6)
De tijd van het jaar was rond de winter-zonnewende [eind december] en de dag was verschrikkelijk koud en sneeuwig toen bijna alle mannen en paarden het kamp verlieten zonder eerst hun ochtendmaaltijd te hebben gehad. In het begin hield hen enthousiasme hen op de been, maar toen ze de Trebia [rivier], die hoog stond vanwege de regen die die nacht hoger in de vallei dan waar de legers waren, was gevallen, moesten oversteken, had de infanterie daar grote moeite mee omdat het water borst-hoog stond. Gevolg was dat het hele leger leed onder de kou en ook van de honger, omdat de dag voortliep. De Carthagers, daarentegen, die in hun tenten hadden gegeten en gedronken en die hun paarden hadden verzorgd, zaten zich te zalven en te bewapenen rond hun vuren.
 Deze slag liep uit op een slachting onder de Romeinen.

maandag 25 juni 2012

Veldslag op zee

De Romeinen waren van oorsprong geen zeenatie. Zij waren getraind in landoorlog en hadden vanaf vroeg in hun geschiedenis al de beschikking over een groot en goed uitgerust leger met legioenen en hulptroepen waarmee ze in de loop van de eeuwen een groot rijk wisten op te bouwen. Er was alleen een probleem: er was een kaper op de kust en die bevond zich aan de andere kant van de zee. Carthago, uit het huidige Tunesië, beschikte over een uitstekend uitgeruste vloot en een minder sterk landleger dan de Romeinen. Toen beide machtscentra in conflict kwamen vanwege gebeurtenissen op het door beide zeer gewenste eiland Sicilië (de Eerste Punische Oorlog), ontstond een strijd tussen deze twee fundamenteel verschillende krijgssystemen.


De Griekse historicus Polybius van Megalopolis (203 - 120 v.Chr.), onze belangrijkste bron over de gebeurtenissen tussen Rome en Carthago maakt melding van een serie raids aan de kust van het huidige Italië waar de Romeinen niets tegen konden doen. Rome moest gaan ingrijpen, dus werd besloten een vloot op te bouwen door een schip dat ze in hun handen kregen na te bouwen. 


Omdat Romeinen praktisch ingesteld waren, gingen ze niet zomaar akkoord met het idee dat je op zee een zeeslag moet voeren. Romeinen zijn goed in veldslagen, dus zorgen we voor veldslagen. Wat ze daarvoor bedacht hadden, was een slim apparaat op het schip, de κόρακας [korakas] of 'kraai'. Polybius legt uit hoe het werkt (Romeinse Geschiedenis I.22:4-11):
Ze werden als volgt gebouwd: op de voorsteven stond een ronde paal van vier vademen hoog [1 vadem is 1,80 meter] en drie palmen in diameter [30 cm]. Deze paal had een katrol aan de top en eromheen was een loopplank van dwarsplanken die waren bevestigd met spijkers gemaakt, vier voet breed en zes vademen lang. In de loopplank zat een sleufgat en het ging rond de paal op een afstand van twee vademenen van het uieeinde. De loopplank had ook een reling aan beide kanten, zo hoog als de knie van een man. Aan het uiteinde was een ijzeren voorwerp bevestigd dat eruit zag als een stamper met een punt aan de ene kant en een ring aan de andere kant, waardoor het geheel eruit zag als een machine om koren te malen. Aan de ring was een touw bevestigd waarmee ze de kraai omhoog haalden met de katrol op de paal, wanneer ze een vijand aanvielen, en waarmee ze het naar beneden lieten op het dek van de vijand, soms vanaf het voorsteven en soms draaiden ze het om als de schepen vanaf de brede zijde met elkaar in aanraking kwamen. Zodra de kraaien waren vastgezet in de planken van het dek van het vijandige schip en de schepen had samengebonden, dan enterden ze van alle kanten als ze aan de brede zijde zaten, maar als ze vanaf het voorsteven vastzaten, vielen ze aan over de loopplank van de kraai zelf, in rijen van twee. Het eerste duo beschermde de voorkant door hun schilden omhoog te houden en zij die erachter liepen, beschermden de zijkant door de randen van hun schilden te laten rusten op de reling. Door dit apparaat toe te passen, wachtten zij op een gelegenheid om in actie te komen.
Deze handelswijze zorgde ervoor dat de Romeinen terug konden slaan en speelde een rol in het breken van de Carthaagse macht op zee, maar wat dit vooral aangeeft is de vindingrijkheid van de Romeinen. Zij waren goed in veldslagen, dus zorgen ze ervoor dat een zeeslag een veldslag werd. 

zondag 3 juni 2012

Met olifanten over de Rhône

De Tweede Punische Oorlog (218 - 201 v.Chr.) is misschien wel de oorlog die het meest tot de verbeelding spreekt uit de hele geschiedenis, in ieder geval wel voor mij. Dit conflict tussen de Romeinen en de Carthagers is vooral bekend geworden om de tocht over de Alpen met olifanten die Hannibal (247 - 183 v.Chr.), de generaal van Carthago had ondernomen. Deze episode zal vast en zeker een keer aan bod komen, maar vandaag is de aandacht voor een andere overtocht, namelijk die over de rivier de Rhône in Zuid-Frankrijk. Het punt is namelijk dat de olifanten niet aan de voet van de Alpen opdoken, maar vanuit de Carthaagse gebieden in Spanje mee waren genomen. Onderweg moest de rivier overgestoken worden. De Griekse geschiedschrijver Polybius (203 - 120 v.Chr.) vertelt in mijn langste citaat tot nu toe hoe Hannibal dit karwei aanvloog (Romeinse Geschiedenis 3.46):
Ze bouwden een aantal zeer stevige vlotten en bonden twee daarvan aan elkaar en legden ze stevig vast aan de oever van de rivier. Hun gezamenlijke breedte was ongeveer dertig voet. Daaraan bonden ze anderen vast aan de andere kant, waarmee ze de brug verder de stroom in verlengden. Ze versterkten de kant die op de stroming stond met kabels die ze vast zetten aan bomen die op de oever groeiden, waardoor de hele structuur op zijn plek kon blijven liggen en niet zou verschuiven door de stroming. Toen ze de hele brug of pier van vlotten van ongeveer tweehonderd voet lang hadden gemaakt, bonden ze deze vast aan het einde van twee hele compacte vlotten die heel stevig aan elkaar waren vastgebonden , maar met de rest op zo'n manier dat de touwen eenvoudig konden worden doorgesneden. Daaraan bevestigden ze een aantal sleepkabels waarmee boten hen moesten vasthouden om te voorkomen dat ze stroomafwaarts werden meegesleurd en om ze tegen de stroming op hun plaats te houden, waardoor de olifanten die erop stonden konden worden vervoerd. Vervolgens gooiden ze een hoeveelheid aarde op de hele rij vlotten, totdat het geheel op dezelfde hoogte als het pad dat naar de oever leidde lag en erop leek. De olifanten waren gewend om hun olifantendrijvers te gehoorzamen tot aan het water, maar zouden nooit het water in gaan en ze dreven hen over de aarden brug met twee vrouwtjes op kop, die ze gehoorzaam volgden.
Zodra ze het laatste vlot hadden betreden, werden de touwen die het met de rest verbond, doorgesneden. trokken de boten de sleepkabels strak en de het vlot met de olifanten erop werd snel weggetrokken van de berg aarde. Hierdoor raakten de dieren in paniek en draaiden zich eerst om en begonnen in alle richtingen te lopen, maar omdat ze omringd waren door de stroming bracht hun angst hen ertoe rustig te blijven. Op die manier, en door een continue toevoer van nieuwe vlotten aan de andere kant van het ponton, kregen zij het voor elkaar de meeste olifanten eroverheen te krijgen, maar sommigen werden dermate gegrepen door angst, dat zijin de rivier sprongen toen ze halverwege waren. De menners van deze olifanten verdronken allemaal, maar de olifanten zelf werden gered, omdat ze door de kracht en lengte van hun slurf in staat waren om boven water te blijven en erdoor te ademen en ook om al het water dan in hun mond kwam, via de slurf uit te spuiten. Op die manier overleefden de meeste van hen en staken te voet de rivier over.
Dit moet een hels karwei zijn geweest, maar vindingrijk was Hannibal zeker!

dinsdag 24 april 2012

De opstand in Libië (±240 v.Chr.) deel 3.

Vandaag de laatste aflevering van het drieluik over de huurlingenopstand. De hele opstand bestond volgens Polybius uit Megalopolis(203 - 120 v.Chr.) uit allerlei schermutselingen die bijzonder wreed waren. Uiteindelijk waren het de Carthagers die aan het langste eind trokken. Volgens Polybius begon de zaak te keren in het voordeel van Carthago een deel van de opstandelingen zich over gaf. Spendius kwam in handen van de vijand en bij het belegeren van de positie van Mathos gebeurde het volgende (Romeinse Geschiedenis I.86:3-4):
Hannibal [een andere dan de bekende] sloeg kamp op aan de ene zijde van de stad en Hamilcar aan de andere zijde. Hun volgende stap was om Spendius en de andere gevangenen naar de muren mee te nemen en hen daar te kruisigen zodat iedereen het kon zien.
Mathos greep onmiddellijk in en wist Hannibal levend aan Spendius' kruis te nagelen en vervolgens 30 van zijn officieren te doden. Dit was echter niet voldoende, want de beslissende gang was ingeslagen. Er volgde een veldslag waarin de Carthaagse generaals Hanno en Hamilcar (die elkaar kennelijk niet mochten) ein-de-lijk de handen ineen sloegen. Mathos werd verslagen en gevangengenomen.


Polybius vertelt in zijn slotopmerking over het conflict wat het zo onderscheidt van andere oorlogen en opstanden en noemt en passant nog wat uiteindelijk het lot van Mathos was (Romeinse Geschiedenis I.88:5-7):
Deze Libische oorlog die Carthago in zo'n gevaar had gebracht, resulteerde niet alleen in het feit dat de Carthagers Libië heroverden, maar in hun mogelijkheid om de bedenkers van de opstand op een exemplarische wijze te straffen. De laatste scene erin was een triomftocht van jongemannen die Mathos door de stad leidden en hen onderworpen aan alle soorten martelingen. Deze oorlog duurde drie jaar en vier maanden en het stak boven alle andere oorlogen die we kennen uit in wreedheid en het tarten van principes.
Er waren dus tóch principes om te tarten. Daarnaast is belangrijk dat de opstand de grote zwakte van de Carthagers blootlegde. Dit handelsvolk had geen militaire cultuur en maakte gebruik van huurlingen. Niccolò Macchiavelli (1469-1527 n.Chr.) schrijft in zijn baanbrekende Il Principe (De Vorst) dat een Italiaanse vorst uit zijn periode vooral geen gebruik moet maken van teveel huurlingen en geeft dit voorbeeld (zie pagina 55 op de PDF). 

zondag 22 april 2012

De opstand in Libië (±240 v.Chr.) deel 2.

Eergisteren heb ik het gehad over het verslag van Polybius uit Megalopolis(203 - 120 v.Chr.) over de Libische huurlingenopstand. In dit deel komt de oorlog zelf aan bod. Spendius en Mathos blijken snel de bevolking van Noord-Afrika achter zich te krijgen en weten geld bij elkaar te krijgen om de huurlingen te betalen en zo loyaal te houden. Terwijl een aantal steden belegerd wordt, breekt ook onder de Carthaagse troepen (huurlingen) op Sardinië een opstand uit. Om deze opstand de kop in te drukken sturen de Carthagers generaal Hanno met een leger... huurlingen (Romeinse Geschiedenis I.79:3-5)
Vervolgens, toen de Carthagers Hanno stuurden met een nieuw leger, liet dit leger hem in de steek en voegde zich bij de muiters die hem daarop gevangen namen en hem kruisigden. Daarna bedachten ze de meest verfijnde martelingen en martelden en doodden alle Carthagers op het eiland. Toen ze alle steden in hun macht hadden, bleven ze Sardinië bezetten tot ze ruzie kregen met de oorspronkelijke bewoners en door hen werden verdreven naar Italië.
In Afrika bleken Spendius, Mathos en hun medestander Autaritus te zitten met het feit dat de Carthagers krijgsgevangenen behoorlijk behandelden, dus besloten ze een punt te maken en lieten Gesco en de andere gevangenen opdraven (Romeinse Geschiedenis I.80:11-13):
Spendius en zijn mannen leidden Gesco en de andere gevangenen, in totaal ongeveer zevenhonderd, uit het kamp. Ze namen hen een eindje buiten het kamp en hakten hen allereerst de handen af, te beginnen bij Gesco die ze kortgeleden van alle Carthagers hadden uitgekozen als hun weldoener en met wie ze hun geschilpunten hadden gedeeld. Na het afhakken van de handen sneden ze ook andere lichaamsdelen van deze armzalige mannen af en na hen op deze manier te verminken en hun benen te breken, gooiden ze hen levend in een greppel.
Het is duidelijk dat in deze tijd de Derde Geneefse Conventie nog niet van kracht was. De Carthagers konden vervolgens niet achterblijven. Generaal Hamilcar had zo zijn eigen manier om van krijgsgevangenen af te komen volgens Polybius (Romeinse Geschiedenis I.82:2):
Ondertussen ging hij door met het doden van de vijanden die op het veld waren gevangen genomen, terwijl hij krijgsgevangenen die hem werden voorgeleid voor de olifanten wierp om zo doodgetrapt te worden. Het was hem duidelijk dat de opstand niet zou stoppen voordat de vijand volledig uitgeroeid was.

vrijdag 20 april 2012

De opstand in Libië (±240 v.Chr.) deel 1.

Strikt gesproken gaat dit niet over een opstand in Libië, maar over eentje van Libiërs in Tunesië die door Polybius uit Megalopolis(203 - 120 v.Chr.) de Libische Oorlog is genoemd. Na de Eerste Punische Oorlog waarin Rome Carthago (nabij het huidige Tunis) versloeg, kwam het leger dat voor Carthago vocht in opstand. Omdat de opstand zo interessant beschreven is door Polybius, zal deze in een aantal afzonderlijke afleveringen worden beschreven op het blog. 


Allereerst citeert Polybius de tekst van het vredesverdrag ande Eerste Punische Oorlog tussen Rome en Carthago (Romeinse Geschiedenis I.62:8-9):
"Als het Romeinse volk hiermee akkoord gaat, dan zal er onder de volgende voorwaarden vrede zijn tussen de Carthagers en de Romeinen. De Carthagers moeten heel Sicilië verlaten en geen oorlog voeren met Hiero [de koning van Syracuse, een bondgenoot van de Romeinen] of wapens opnemen tegen de Syracusanen of hun bondgenoten. De Carthagers dienen de Romeinen alle krijgsgevangenen te geven zonder daar losgeld voor te ontvangen. De Carthagers moeten de Romeinen over een periode van 20 jaar 2200 Euboeische talenten [een kleine 60.000 kilo goud] betalen."
Het Romeinse volk besloot dat dit niet voldoende was en verzwaarde de voorwaarden van het verdrag. Een flinke molensteen dus om de nek van de Carthagers. Aangezien zij met huurlingen werkten en huurlingen het werk voor het geld doen, begon het gedonder toen zij erachter kwamen dat ze nog wat te goed hadden. Volgens Polybius namen twee mannen het heft in eigen hand (Romeinse Geschiedenis I.69:9-11):
Toen Spendius en Mathos [de assertieve mannen] Gesco [de Carthaagse generaal die als afgezante naar de huurlingen was gestuurd en in hoog aanzien bij hen stond] en de Carthagers begonnen te belasteren en te beschuldigen, waren ze [de huurlingen] een en al oor, maar wanneer iemand naar voren trad om zijn mening te geven, wachtten ze niet eens af om erachter te komen of hij zou spreken voor of tegen Spendius, maar stenigden hem onmiddellijk tot de dood toe. Vele officieren en soldaten vonden op die manier de dood in de verschillende vergaderingen.
Het mag geen verrassing heten dat Spendius en Mathos met verder unanieme steun de leiding kregen over de opstand. In deel 2 van deze serie zal de opstand zelf aan bod komen en in deel 3 het laatste deel ervan, met de grimmige ontknoping.

maandag 5 maart 2012

Hannibal en de brandende koeien

De Romeinen waren bang. Ze waren bang voor één van de grootste militaire genieën uit de geschiedenis, voor Hannibal Barca (247 - 183 v.Chr.), de generaal uit Carthago in het tegenwoordige Tunesië, de man die zijn olifanten via Spanje over de Alpen stuurde en Rome onverwacht vanuit het Noorden bestookte. Hannibal haalde meer dan eens opmerkelijke tactieken uit zijn trukendoos en wist voor de Romeinen nogal wat zweethandjes te veroorzaken. De Romeinse geschiedschrijver Cornelius Nepos (±100 - ±25 v.Chr.) beschrijft in zijn biografie van Hannibal één van die truuks (XXIII Hannibal V.2):
Hij misleidde Fabius, een zeer bekwame commandant, want hij stak, toen de nacht gekomen was, een ​​aantal bundels van takjes in brand, bond deze vast op de hoornen van de runderen, en reed een groot aantal van die koeien her en der verspreid naar voren. De plotselinge aanblik van dit schouwspel veroorzaakte zo'n paniek in het Romeinse leger, dat niemand zich waagde te vertonen voorbij de wal.