Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label historicus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label historicus. Alle posts tonen

woensdag 1 mei 2013

Wat ik vind dat hij zou hebben moeten zeggen in die situatie

Gek genoeg kwam ik er onlangs achter dat misschien wel de grootste historicus uit de Oudheid, Thucydides (±460 - ±400 v.Chr.) nog nooit aan bod is gekomen op mijn blog. Thucydides beschreef in zijn verbazingwekkend modern en wetenschappelijk overkomend werk de Peloponnesische Oorlog (431 - 404 v.Chr.) waar Athene en Sparta elkaar de tent uit vochten en waarin hij zelf ook een rol speelde. In zijn inleiding geeft hij een aantal disclaimers door, waaronder eentje over toespraken, die een belangrijke rol spelen in de geschiedschrijving in de Oudheid.

Toespraken zijn al eerder aan bod gekomen op dit blog (vorige week en helemaal in het begin) en in die eerste blogpost noemde ik Thucydides al. Eén van de bekendste scenes uit zijn werk is een grafrede die de Atheense politicus Perikles (495 - 429 v.Chr.) zou hebben uitgesproken. Opvallend is dat Thucydides wel 'citeert', maar in de inleiding op zijn werk duidelijk aangeeft wat hij doet (De Peloponnesische Oorlog I.22.1):
Wat betreft de toespraken in deze geschiedenis, sommigen waren gedaan voor de oorlog begon en anderen terwijl die bezig was; sommigen heb ik zelf gehoord, anderen kreeg ik van mijn verschillende informanten; het was in alle gevallen moeilijk om ze woord voor woord te onthouden, dus heb ik er de gewoonte van gemaakt om de sprekers te laten zeggen wat de situatie in mijn mening vereiste van hen, terwijl ik natuurlijk zo dicht mogelijk tegen het algemene gevoel van wat ze werkelijk zeiden, bleef.
Het is wonderlijk je te realiseren dat ik een paar regels terug nog zei dat Thucydides een hele wetenschappelijke aanpak had. Het is altijd goed opletten bij het lezen van deze bronnen. Dat blijkt maar weer.

Boekentip voor vandaag:
Thucydides, The History of the Peloponnesian War

zaterdag 4 augustus 2012

Editorial: Waarom is geschiedenis belangrijk?

Als historicus krijg ik regelmatig de vraag waarom het waardevol is om je te verdiepen in geschiedenis. Een terechte en interessante vraag, vind ik, en ik ben niet de enige die dat vindt. Er zijn inmiddels bibliotheken volgeschreven over het waarom van geschiedenis en het is niet de intentie op deze plek veel meer te schrijven dan wat mijn antwoord op die vraag is. Ik vind het waardevol omdat het interessant is. De reden dat ik met dit blog ben begonnen en er na een halfjaar nog steeds veel plezier aan beleef, is omdat ik mijn passie met mensen wil delen. 


Ik verwonder me over de bijzondere opvattingen van filosofen als Diogenes van Sinope en Epictetus, laat me inspireren door het genie van Hannibal en Archimedes en verbaas me om het bizarre gedrag val Caligula. De Oudheid is zo interessant omdat zij zo anders is dan de moderne wereld, maar toch hebben we het nog altijd over mensen. Sommigen dragen een kroon, anderen hebben een leger onder hun commando, maar het zijn mensen in een andere situatie dan die wij van onszelf gewend zijn. Geschiedenis laat ons zien zoals we hadden kunnen zijn. Ik denk dat dat de reden is dat boeken over geschiedenis zo goed worden verkocht.


Een tijd geleden bezocht ik een lezing voor Ex Oriente Lux van Professor Bert van der Spek over een beroemd voorwerp dat de gemoederen bezig blijft houden. Het betreft een cilindervormig voorwerp met daarop een tekst over de Perzische koning Cyrus de Grote (6e eeuw v.Chr.). Van der Spek gaf tijdens de lezing aan dat deze cilinder niet de eigenschappen heeft die het worden toegedicht. Opmerkelijk genoeg dook even later een video van de directeur van het British Museum, Neil MacGregor op op TED.com.





Nu ben ik geen specialist op het gebied van de Perzische geschiedenis en is mijn Akkadisch ook niet wat het had kunnen zijn, maar punt is duidelijk. Zowel in de lezing van Van der Spek als in die van MacGregor werd één ding duidelijk: (het beeld dat we hebben over)  de Oudheid speelt een belangrijke rol in het moderne leven. Wat er ook op de cilinder van Cyrus staat, het voorwerp motiveert mensen zich op een bepaalde manier te gedragen. Vrijwel niemand zal tegenwoordig nog nadenken over de vraag hoe je olifanten de Rhône over krijgt of wat de Romeinen en oude Ethiopiërs ons kunnen zeggen over hoe je van buikkrampen of hoofdluis af kunt komen, maar de Oudheid blijkt nog steeds dichtbij te zijn.

zaterdag 14 april 2012

Objectiviteit

Geschiedenis is een vakgebied waar interpretatie van de feiten voor een heel groot deel afhankelijk is van de wereld waar de historicus zich in bevindt. In de geschiedfilosofie zijn we inmiddels doordrongen van het feit dat men altijd goed in de gaten moet houden welke bronnen gebruikt worden en wat voor agenda die kunnen hebben. Vooral in de Oudheid is dan een issue omdat de feiten simpelweg niet meer puur tot ons komen, áls ze dat ooit al waren geweest.


Eén van de grote historici van de Oudheid is Polybius uit Megalopolis (203 - 120 v.Chr.) die een belangrijke bron is voor wat we weten over de oorlogen tussen de Romeinen en de handelsnatie van de Carthagers in het huidige Tunesië. In zijn Romeinse Geschiedenis probeert Polybius te achterhalen hoe het komt dat de Romeinen tijdens zijn leven de macht in het Middellands Zeegebied naar zich toe hebben getrokken. In zijn eerste boek vertelt hij over de Eerste Punische Oorlog.


Polybius noemt twee schrijvers die hem zijn voorgegaan in het beschrijven van de oorlog, Philinus van Agrigentum en Quintus Fabius Pictor uit de derde eeuw v.Chr.. Deze twee schrijvers zijn voor Polybius een reden geweest om over deze oorlog te schrijven (Romeinse Geschiedenis I.14:2-5)
Ik beschuldig hen niet van doelbewuste onjuistheid, gegeven hun karakter en hun principes, maar ze lijken te handelen als waren ze verliefd; Op grond van zijn overtuigingen en constante partijdigheid stelt Philinus dat de Carthagers in elke situatie wijs, juist en moedig handelden en de Romeinen niet, terwijl Fabius precies de tegenovergestelde positie inneemt. In andere zaken van het leven hoeven we dergelijk favoritisme niet uit te sluiten, want een goed man hoort van zijn vrienden en zijn land te houden en hij dient de haat en de genegenheden van zijn vrienden te delen, maar hij die de rol van de historicus inneemt, dient dat soort dingen te negeren en vaak, als hun acties dat rechtvaardigen, moet hij hoogachtend spreken over zijn vijanden en hen met de hoogste lof prijzen terwijl hij kritisch en zelfs verwijtend is naar zijn naaste vrienden, mochten de tekortkomingen van hun gedrag deze taak op hem brengen.
Voor een historicus van ruim voor het begin van onze jaartelling klinkt dit bijzonder modern. Of Polybius volledig juist is in zijn interpretaties, dat is nooit met volledige zekerheid vast te stellen, maar het feit dat hij zich alleen al bewust is van het probleem maakt zijn werk interessant.

vrijdag 6 april 2012

Lieg over me

Marcus Tullius Cicero (106 - 43 v.Chr.) was naast een bekend spreker en politicus ook de schrijver van een groot aantal werken dat overgeleverd is. Zijn filosofische bespiegelingen en juridische teksten zullen nog wel aan bod komen. Vandaag aandacht voor het derde genre teksten van zijn hand dat in groten getale is overgeleverd: zijn brieven. Cicero schreef tientallen brieven aan vrienden. 


Eén van de interessantste brieven is die aan de historicus Lucceius. Cicero blijkt onder de indruk van het vakmanschap van deze schrijver, maar wil graag dat hij iets voor hem doet. In zijn Brief aan Lucceius uit 56 v.Chr. vraagt hij hem het volgende (Epistulae ad familiares, V.12.1):
Ik heb vaak geprobeerd persoonlijk tegen je te zeggen wat ik nu ga schrijven, maar ik werd gestuit door een clownesk soort schuchterheid. Nu dat ik niet in je nabijheid verkeer, zal ik het wat stoutmoediger zeggen: een brief bloost niet. In mij is een onvoorstelbaar en vurig verlangen, waar ik me volgens mij niet voor hoef te schamen, ontstoken, dat mijn naam in een geschiedwerk van jouw hand vaak met lofprijzing moet worden genoemd.
Even later in de brief (excuses voor de afwezigheid van concretere links) geeft Cicero aan hoe hij dit precies voor zich ziet (V.12.3):
Dus ik vraag je nogmaals op de man af om mijn acties in warmere bewoordingen te prijzen dan wat je misschien eigenlijk voelt en om in dezen de wetten van de geschiedschrijving [objectief zijn] te laten varen. Ik vraag je ook [...] om je affectie voor mij een beetje meer tentoon te spreiden dan de waarheid rechtvaardigt.
Met andere woorden: Cicero weet heet goed dat een historicus objectief moet proberen te zijn, mar probeert zijn vriend over te halen hem wat beter neer te zetten dan jij werkelijk verdient.

dinsdag 28 februari 2012

Hoe word ik een goed historicus?


Antieke historici zijn anders dan moderne historici en dat zit hem in grote mate in de manier van kijken naar de wereld toe. Een moralistische Tacitus of een droge Diodorus Siculus staan ver af van de huidige generatie. Eén schrijver is een duidelijke andere stijl aangedaan en dat is Lucianus van Samosata (±120 - ±180 n. Chr.). Hij is niet de bekendste van alle schrijvers, maar zeker één van de toegankelijkste. Hij schreef in een brief aan ene Philo hoe je een goede historicus bent en daarin schrijft hij op zeer vermakelijke wijze hoe het vooral niet moet. Eén van zijn favoriete historici, Thucydides heeft een bekende grafrede in de mond van Perikles gelegd. Algemeen wordt aangenomen dat redevoeringen in historische werken het werk van de historicus zelf zijn en niet van de redenaar die geciteerd worden. Lucianus bevestigt dit en geeft een voorbeeld van een hele slechte (Hoe word ik een goede historicus 26):
Hij begraaft Severianus dus met alle bijbehorende pracht en praal en laat daarna een zekere Afranius Silo, een centurio, de grafheuvel beklimmen, als een concurrent van Perikles. De man laat daarop zo'n stortvloed aan woorden los over de overledene dat, bij de Gratiën, de tranen me over de wangen liepen... van het lachen, vooral toen Afranius, onze redenaar, aan het einde van zijn toespraak begon te huilen en helemaal over zijn toeren al jammerend hun kostbare diners en drinkgelagen in herinnering riep. Daarna zette hij, in stijl van Ajax, de kroon op zijn werk: hij trok zijn zwaard en, zoals een held betaamt (zeker zo een als Afranius) stak hij zich boven op de grafheuvel voor ieders ogen dood. Bij Ares, hij had natuurlijk al veel eerder dood moeten vallen, nog voor hij die hele oratie op ons had losgelaten!
Toen de toeschouwers dat zegen, zegt onze auteur, waren ze allemaal vol bewondering en prezen Afranius de hemel in. Wat mij betreft, ik heb nogal wat bezwaren tegen zijn optreden, bijvoorbeeld dat het niet veel scheelde of hij had de soep en de vis gememoreerd en moeten huilen toen hij aan het gebak moest terugdenken. Maar wat ik hem het meest kwalijk neem is dat hij, voor hij zelf doodging, niet eerst de schrijver en regisseur van dit drama om zeep heeft geholpen.
Zo moet het dus niet...