Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label Publius Cornelius Tacitus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Publius Cornelius Tacitus. Alle posts tonen

vrijdag 27 december 2013

Spanje ligt ten Westen van Engeland!

De Romeinen hebben een groot gebied veroverd en eeuwenlang onder controle weten te houden. Dit is een bijzondere prestatie en niet alleen in militair en politiek opzicht. Om een gebied te kunnen veroveren is het belangrijk om te weten waar het precies ligt ten opzichte van de andere gebieden die je kent. De Romeinen hadden wel kaarten, maar er was toch iets mis met het geografisch begrip dat ze hadden. Zo schrijft historicus Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.) met een zekere arrogantie in zijn toon waar Britannia ligt (Agricola X):
Voorstelling van de ligging van Britannia ten
opzichte van de andere gebieden.
Bron: Tacitus, Dialoog over de
welsprekendheid, Agricola, Germania

(Baarn 1992) p. 104.
Van Britannia's aardrijkskundige ligging en van zijn volkeren, die reeds door vele schrijvers zijn beschreven, wil ik niet gewagen om mij met dezen te meten op het stuk van vakmanschap of van talent, maar omdat in die dagen [in de tijd van Tacitus' schoonvader Gnaeus Julius Agricola (13 - 93 n.Chr.), gouverneur van de regio] voor het eerst volkomen is onderworpen: daarom zal datgene wat mijn voorgangers, omdat zij er nog geen grondige kennis van hadden, met welsprekendheid [interessant...] hebben opgesmukt, werkelijkheidsgetrouw te boek hebben gesteld.
Want hoe het werkelijk zit is als volgt:
Britannia, onder de eilanden waar de Romeinen van weten het grootste, strekt zich naar geografische uitgebreidheid en ligging naar het Oosten tegenover Germania, naar het Westen tegenover Hispania [Spanje] uit; in Zuidelijke richting ligt het zelfs binnen de gezichtskring van de Galliërs. Zijn Noordelijke kusten, waartegenover zich geen landen bevinden, worden gebeukt door de onmetelijke open zee.
Het is makkelijk om Tacitus voor zijn verkeerde voorstelling van zaken te bekritiseren, want de kennis die wij tegenwoordig hebben, is gebaseerd op technologie die de Romeinen nog niet tot hun beschikking hebben, maar het arrogante toontje in dit stukje werkt wel op de lachspieren.

Boekentip voor vandaag:
Tacitus, Agricola

vrijdag 31 mei 2013

De aanslag van de architect en de aannemers

Het jaar 69 n.Chr. was één van de meest veelbewogen jaren uit de Romeinse geschiedenis. Vier keizers waren in dat jaar de machtigste man van het rijk en de eerste drie stierven geen natuurlijke dood, om het zo maar te zeggen. Na de dood van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) in 68 kwam de oude generaal Servius Sulpicius Galba (3 v.Chr. - 69 n.Chr.) aan de macht. Hij had een troonopvolger gekozen in verband met zijn leeftijd. Dit was echter niet Marcus Salvius Otho (32 - 69 n.Chr.) en dat was niet wat Otho in gedachten had. Hij beraamde een aanslag.

De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.) beschrijft hoe Otho werd opgehaald uit een gezelschap met de keizer (Historiën I.27):
Een ogenblik later kwam zijn vrijgelatene [van Otho, vrijgelaten slaven bleven in de Romeinse samenleving sterk verbonden aan hun voormalige meester] Onomastus hem de boodschap brengen dat de architect en de aannemers hem verwachtten.
Op het eerste gezicht een merkwaardig citaat in een stukje over een moordaanslag. De reden dat ik dit noem is omdat de woorden die Tacitus gebruikt dubbelzinnig zijn. Architectus kan bouwmeester betekenen, maar ook aanstichter ergens van. Redemptor kan een aannemer zijn, maar ook iemand die door losgeld iets of iemand bevrijdt. Galba had dit nooit voorzien. Het wordt wel eens gezegd dat de Oudheid alleen bestudeerd kan worden in het Latijn of het Grieks, omdat vertalingen altijd wat laten liggen in dit soort woordspelingen. Daar valt zeker wat voor te zeggen.

Boekentip voor vandaag:
Tacitus, Historiën
J. Marincola, A Companion to Greek and Roman Historiography


maandag 21 januari 2013

Kleine meisjes executeren vergt meer

Eén van mijn hobby's is om podcasts over de Oudheid te beluisteren tijdens het hardlopen. Vandaag had ik A History of Hannibal, aflevering 28 bij me, waar de spreker, Jamie Redfern, vertelde over de hier ook al aan bod gekomen strategie van Fabius Maximus en zijn aanstelling als dictator in de oorlog tegen Hannibal. Aan het einde kwam hij met een boekentip (zie onder).

Een tijdje geleden hadden een aantal podcasters een discussie on air over de vraag of Rome als beschaving overschat is Redfern antwoordde dit met ja. Het is niet zo dat Rome niet veel bijzonders heeft bereikt en de wereld veel nieuwe dingen heeft gegeven, maar er staat ook veel tegenover waar we niet blij mee hoeven te zijn. Zo hadden een aantal keizers er nogal een handje in om uit de gratie gevallen mensen als een baksteen te laten vallen. Zo weten we dat keizer Tiberius (42 v.Chr. - 37 n.Chr.) tijdens zijn regering veel macht gaf aan Lucius Aelius Seianus (20 v.Chr. - 31 n.Chr.), maar dat hij uit de gratie viel. Seianus moest dood en dat gebeurde ook.

Wat ook gebeurde, is iets wat voor ons als onnodig wreed in de oren klinkt: ook zijn kinderen werden geëxecuteerd. De Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.) vertelt over het lot van Seianus' jonge dochter en welke praktische problemen er bij haar executie kwamen kijken (Annalen 5:9)
Vervolgens werd besloten de overgebleven kinderen van Seianus te straffen [doden], ook al was de woede van de bevolking gaan liggen en waren de mensen over het algemeen voldaan door de voorafgaande executies. Daarom werden ze naar de gevangenis gesleept, de jongen, die wist van zijn op hande zijnde teloorgang, en het kleine meisje dat zich zo niet bewust was dat ze steeds vroeg wat ze verkeerd gedaan had en waar ze heen werd gesleept, en ze zei dat ze het niet meer zou doen en dat een kinderlijke bestraffing voor haar voldoende zou zijn. Historici van die tijd zeggen ons dat, omdat er geen precedent bestond voor het uitvoeren van de doodstraf aan een maagd, ze door de beul was verkracht met een touw om haar nek. Vervolgens werden ze gewurgd en hun lichamen, slechts kinderen die ze waren, werden van de Gemoniae [een trap van de Capitolijnse heuvel naar het forum in Rome] gegooid.
In de beschrijving van Tacitus klinkt de afkeur duidelijk door. Gelukkig. Ik blader inmiddels al een aantal jaar in de werken van schrijvers uit de Oudheid en ik kan me niet herinneren dat ik met zoveel walging een historicsche tekst van 2000 jaar oud gelezen heb. Het zegt wel veel over de Romeinen en misschien ook over ons en waar mensen toe in staat zijn.

Boekentip voor vandaag:
Colin Wells, The Roman Empire
Tacitus, The Annals of Imperial Rome

maandag 29 oktober 2012

En ze noemen het vrede!

In 83 of 84 n.Chr. versloegen de Romeinse legioenen onder Gnaeus Julius Agricola (40 - 93 n.Chr.) bij de berg Mons Graupius in Caledonië (het huidige Schotland) de troepen die onder leiding stonden van ene Galgacus. Van deze strijd is een verslag opgetekend door de schoonzoon van Agricola, de bekende Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft in de biografie van zijn schoonvader hoe succesvol diens carrière wel niet was.

Daarnaast schrijft hij nog iets interessants. Zoals we eerder hebben gezien, schreven de historici in de Oudheid vaak zelf toespraken van veldheren en politici waarin ze niet zozeer de woorden van de spreker zelf citeerden, maar er zelf een verhaal van maakten. Tacitus is hierin interessant, want hij staat bekend als behoorlijk kritisch naar de Romeinen en hun imperialisme. Zo laat hij Galgacus voor aanvang van de Slag bij Mons Graupius de volgende woorden uitspreken (Agricola 30):
Tot op de dag van vandaag heeft de afgelegen ligging zelf en de uithoek van bekendheid ons, laatsten van de landen en van vrijheid, verdedigd. Nu staat de grens van Brittannië open en al het onbekende is tot ontzag. Maar er is reeds geen volk voorbij ons, niets behalve golven en rotsen, en de nog dreigendere Romeinen, wiens hoogmoed je tevergeefs zou proberen te ontvluchten door onderdanigheid en bescheidenheid. Rovers van de wereld onderzoeken ook al de zee, nadat landen voor hen die alle dingen verwoesten ontbreken. Als de vijand rijk is, zijn ze hebzuchtig, indien arm, heerszuchtig; hen zou noch het westen, noch het oosten kunnen verzadigen. Als enigen van allen begeren zij zowel rijkdom als armoede met gelijke drang. Roven, moorden en plunderen noemen ze met valse namen een rijk, en, waar ze een woestenij maken, noemen ze het vrede.
Tacitus houdt de Romeinen hiermee een spiegel voor. Het oude Romeinse idee van een rechtvaardige oorlog is ver te zoeken en Tacitus is ook een schrijver die de teloorgang van deze waarde uit de Romeinse Republiek betreurt. Daarnaast komt het modern over. Toen de Amerikanen Irak aanvielen, hoorde je ook dit soort kritiek. In zoverre kunnen we stellen dat de grote mogendheden altijd de schijn tegen hebben. 

vrijdag 19 oktober 2012

Nero speelde geen viool

Eén van de bekende verhalen uit de Oudheid gaat over keizer Nero (37 - 68 n.Chr.). Tijdens zijn regeerperiode was er een grote brand in Rome waarna Nero een groot bouwproject in gang zette. Mede om die reden wordt hem verweten dat hij iets te maken zou hebben gehad met de brand. Sterker nog, het verhaal gaat dat Nero zou hebben zitten toekijken hoe half Rome in vlammen opging terwijl hij op zijn viool speelde.

Dit verhaal past prima binnen de reputatie die Nero tegenwoordig heeft en heeft daar vermoedelijk zelf een grotere rol in gespeeld dan wat dan ook, maar we krijgen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.) een ander verhaal. Hij is stellig in zijn opmerking dat Nero geen viool heeft zitten spelen (Annalen 15.39):
Op dit moment was Nero in Antium [zo'n 50 km ten Zuidoosten van Rome] en hij keerde niet terug voor het vuur zijn huis, dat hij gebouwd had om het paleis met de tuin van Maecenas te verbinden, naderde. Het kon echter niet tegengehouden worden om het paleis, het huis en alles eromheen te vernietigen. Om de bevolking die dakloos was geworden, te helpen, opende hij het Marsveld en de openbare gebouwen van Agrippa aan hen, en zelfs zijn eigen tuinen, en richtte tijdelijke gebouwen op om de berooide massa te ontvangen. Voedsel werd aangevoerd vanuit Ostia [de haven van Rome] en de nabijgelegen steden en de prijs van koren werd teruggebracht tot drie sestertiën per partij. Deze daden zorgden voor weinig effecten, ook al waren ze populair, omdat er een gerucht rondging dat de keizer op het moment dat de stad in brand stond, optrad op een privé-podium en de vernietiging van Troje bezong, waarmee hij de huidige ongelukkigheden vergeleek met de verschrikkingen uit de Oudheid.
Het was een gerucht. Tacitus beschrijft wat Nero allemaal gedaan zou hebben en dit strookt niet met de ongeïnteresseerde houding die hem ook wordt toegeschreven. Wat er waar is, dat is een tweede, maar het is vermoedelijk niet allebei zo.

donderdag 24 mei 2012

Geen eer te behalen!

Zoals we bij bijvoorbeeld de Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) al eerder hebben gezien, is het bij geschiedenis, zeker ook van de Oudheid, zaak om je te realiseren wie de tekst die je zit te lezen, heeft geschreven. In veel gevallen zijn de schrijvers betrokken bij datgene dat ze beschrijven. Veel Romeinse historici waren daarnaast hoge politici en hadden als zodanig belang bij een bepaalde weergave van de geschiedenis.


Een bekend voorbeeld hiervan is de Romeinse geschiedschrijver, redenaar en consul Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft onder anderen het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr.) waarin na de door van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) Galba, Otho, Vitellius en uiteindelijk Vespasianus aan de macht waren als keizer. Het jaar bestond uit machtstrubbelingen waarin de generaals elkaar afwisselden. Toen Otho aan de macht was en door Vitellius' troepen werd verslagen, brak er volgens Tacitus onrust uit in het legerkamp van Otho's troepen. Generaals vluchtten en de onderbevelhebber Vedius Aquila van één van Otho's legioenen raakte daarin verzeild (Historiën 2.44):
Vedius Aquila, de onderbevelhebber van het dertiende legioen - zijn onberaden angst deed hem slachtoffer worden van de woede van de soldaten. Het was nog klaarlichte dag toen hij binnen de legerwal kwam en met luid getier de oproerlingen en degenen die wilden vluchten hem tot het middelpunt maakten van hun tumult. Voor geen scheldwoorden, voor geen handtastelijkheden ontzien zij zich zij jouwen hem uit voor deserteur en verrader, niet omdat nu juist híj zich aan een bijzonder misdrijf had schuldig gemaakt, doch naar de gewoonte van het grauw, dat man voor man de neiging heeft de schuld van eigen schande anderen in de schoenen te schuiven.
Het gewone volk, waar deze soldaten kennelijk tot hoorden, was voor de meeste schrijvers van de senatorenstand geen knip voor de neus waard en Tacitus laat hier ook duidelijk zien dat er geen eer te behalen was voor Aquila.