Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label leger. Alle posts tonen
Posts tonen met het label leger. Alle posts tonen

donderdag 30 januari 2014

Teveel glimmende troep

Soldaten in de Oudheid zijn een merkwaardig slag mensen. Generaals moesten van hele goede huize komen om ze altijd onder de duim te houden. Zoals we hebben gezien konden zelfs de beste generaals niet altijd voorkomen dat de soldaten deden waar ze in feite voor kwamen: proberen rijkdommen bij elkaar te harken. Soms ging het veel verder, dat de soldaten hun eigen ruiten ingooiden. De Griekse historicus Memnon van Heraclea (1e eeuw n.Chr.) vertelt over Romeinse troepen die besluiten wel heel erg veel spullen mee te zeulen als ze stad na stad plunderen in de strijd tegen de Pontische koning Mithradates VI (±119 - 63 v.Chr.). Dit leverde problemen op (Geschiedenis van Heraclea 36):
[de vloot werd met de buit weggestuurd.] Sommige van de schepen die de buit van Heraclea meevoerden, zonken door hun gewicht niet ver van de stad en anderen werden het ondiepe water in gestuwd door de Noordelijke wind en verloren daardoor veel van hun lading.
Typisch weer. Waarom nou niet twee keer varen?

vrijdag 10 januari 2014

Verwrongen metaal op het Romeinse slagveld

Een belangrijk onderdeel van de vroegere Romeinse legers, in de periode voor de legerhervormingen van Gaius Marius (157 - 86 v.Chr.) waren de velites. Deze lichtbewapende soldaten werden doorgaans opgesteld vóór de zwaarder bewapende troepen van het Romeinse leger. Ze hadden één taak: gooi je speren naar de vijand en zoek dan dekking achter de andere soldaten. Deze tactiek leverde doorgaans geen grote winsten op, maar voor de vijand wat voor elkaar kon krijgen, lagen er alvast een aantal dood en gewond op het slagveld, met alle gevolgen van dien.
Velites in het computerspel Rome Total War

Nu is er een probleem met het gooien van grote hoeveelheden speren naar de vijand: na enige tijd heeft de vijand een grote hoeveelheid speren om te gooien. Dit zorgt ervoor dat niet alleen bij de vijand doden vallen voor de slag echt begonnen is, maar ook bij de Romeinen. Dit gebeurde alleen niet, zo merkt de Griekse historicus Polybius (203 - 120 v.Chr.) op. Dat had te maken met specifieke kenmerken in het design van de werpsperen (Romeinse Geschiedenis VI.22.4):
De houten schacht van de speer mat ongeveer twee cubiti [ongeveer 90 cm] in lengte en was ongeveer net zo dik als de breedte van een vinger. De punt was ongeveer een span van de hand [ongeveer 20 cm] lang en was in een dermate fijne hoek gehamerd dat het onherroepelijk zou buigen bij de eerste impact en de vijand niet in staat is hem terug te gooien. Als dit niet het geval was, zou het projectiel voor beide zijden beschikbaar zijn.
 De oorlogen tegen de Carthagers waren dus letterlijk een slagveld vol verwrongen metaal!

Meer info over de Romeinse legers in die tijd:
Mike Duncan, The History of Rome podcast. aflevering 14a & 14b.

zaterdag 7 december 2013

Het spektakel op de werkvloer

Niets is frustrerender voor een generaal dan dat je mannen besluiten dat ze beter iets anders kunnen doen dan naar je luisteren. Zo had ook de Romeinse generaal Gnaeus Pompeius Magnus (106 - 48 v.Chr.) een tijdje geen enkele mogelijkheid om zijn mannen te laten doen wat hij wilde. Ze hadden een ander idee en waren daar te druk mee bezig om naar hun bevelhebber te luisteren. 

In het begin van Pompeius' militaire carrière was er sprake van een groot conflict in de Romeinse elite. Twee groepen stonden lijnrecht tegenover elkaar en voerden een bittere strijd. De ene groep werd geleid door Gaius Marius (157 - 86 v.Chr.) en de andere groep door  Lucius Cornelius Sulla (±138 - 68 v.Chr.). Pompeius schaarde zich onder de volgelingen van Sulla. Eén van de volgelingen van Marius was Gnaius Domitius Ahenobarbus en hij had een flink leger onder zich. Met dat leger vertrok hij vanuit zijn uitvalsbasis op Sicilië naar Noord-Afrika en bezette de regio. Sulla stuurde Pompeius om daar wat aan te doen. 

De biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.) laat optekenen dat Pompeius bij aankomst al duizenden van Domitius' mannen liet overlopen, maar plotseling gebeurde er iets dat zelfs Plutarchus absurd vond (Pompeius 11.3-4):
Het schijnt dat een aantal soldaten op een schat was gestuit en er een grote hoeveelheid geld aan hadden overgehouden. Toen dit bekend werd, stelde de rest van het leger zich massaal voor dat de plaats vol geld dat de Carthagers  in een tijd van rampspoed hadden verstopt, lag. Zodoende kon Pompeius gedurende vele dagen niets met zijn soldaten doen omdat ze op zoek waren naar schatten, maar hij ging staan lachen om het spektakel van een ontelbaar aantal mannen die stonden te graven en te de grond stonden om te woelen. Uiteindelijk waren ze het zoeken beu en vroegen ze Pompeius om hen te leiden waarheen hij wilde, en hij verzekerde hem dat ze voldoende gestraft waren voor hun stompzinnigheid.
Wat is er frustrerender dan heel veel tijd en moeite besteden aan iets dat helemaal niets oplevert? De soldaten moeten geluk hebben gehad dat Pompeius er plezier aan had beleefd, want dit soort gedrag is wel eens anders afgelopen...

woensdag 20 februari 2013

30 keer zoveel man als bij D-Day

De oude Grieken waren doorgaans vooral bezig elkaar de hersens in te slaan. De verschillende stadstaten trokken doorgaans niet gezamenlijk op. Slechts bij een bijzondere externe vijand was het mogelijk de gelederen te sluiten (want de Grieken kenden wel een soort wij-gevoel als Griekse beschaving tegenover de barbaren). In de mythologie zien we de Trojaanse Oorlog een dergelijk verbond voor elkaar krijgen. Aan het begin van de 5e eeuw v.Chr. was er een nieuwe vijand, ook uit het Oosten, de Perzen.

De Perzen reageerden op een opstand onder de door hen overheerste Griekse steden in het Westen van het huidige Turkijen en besloten een poging te wagen heel Griekenland onder de duim te krijgen. Naast het feit dat ze geleid werden door een nogal hooghartige koning Xerxes (r. 485 - 465 v.Chr.), als we de Griekse historicus Herodotus (±485 - ±425 v.Chr) moeten geloven, waren ze volgens Herodotus bovenal met heel veel mensen op komen draven. Herodotus vertelt zelfs dat het leger zó groot was dat de rivier de Scamander (de huidige Karamenderes in Turkije voor wie meekijkt) niet voldoende was om genoeg te drinken (Historiën VII.43). Hij weet zelfs hele precieze aantallen manschappen te noemen (Historiën VII.185:2-186):
Wat betreft de grondtroepen verzorgd door alle landen - Thraciërs, Paeoniërs, Eordi, Bottiaei, Chalcidiërs, Brygi, Pieriërs, Macedoniërs, Perrhaebi, Enienes, Dolopes, Magnesiërs, Achaërs, bewoners van de kust van Thracië — van al deze vermoed ik het aantal ongeveer drie honderd duizend. Wanneer deze aantallen werden toegevoegd aan de aantallen uit Azië, is het totaal aan strijdkrachten twee miljoen, zeshonderdveertigduizend, zeshonderdtien.Dit betreft het aantal soldaten. Wat betreft de niet-vechtende ondersteuners die hen volgde en de bemanning van graanschepen en de andere schepen die via de zee meegingen met het leger, dit zijn er volgens mij niet minder, maar méér dan de strijdkrachten. Laten we echter aannemen dat ze met net zoveel zijn, niet meer en niet minder. Als ze gelijk zijn aan het strijdende contingent, bestonden ze uit net zoveel tienduizenden als de anderen. Het aantal van hen die Xerxes, de zoon van Darius, zo ver meenam als de "Sepiad headland" [geen idee wat dat in het Nederlands] en Thermopylae [Midden-Griekenland] was vijf miljoen, tweehonderddrieëntachtigduizend tweehonderdtwintig.
Dit is een gigantisch aantal. Het aantal geallieerden op D-Day wordt, om te vergelijken, geschat op ruim minder dan 200.000. Moderne schattingen voor het daadwerkelijke aantal Perzen in het conflict worden geschat op enkele honderdduizenden. Nog steeds gigantisch, maar toch wat anders dan Herodotus zegt.

donderdag 24 mei 2012

Geen eer te behalen!

Zoals we bij bijvoorbeeld de Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) al eerder hebben gezien, is het bij geschiedenis, zeker ook van de Oudheid, zaak om je te realiseren wie de tekst die je zit te lezen, heeft geschreven. In veel gevallen zijn de schrijvers betrokken bij datgene dat ze beschrijven. Veel Romeinse historici waren daarnaast hoge politici en hadden als zodanig belang bij een bepaalde weergave van de geschiedenis.


Een bekend voorbeeld hiervan is de Romeinse geschiedschrijver, redenaar en consul Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft onder anderen het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr.) waarin na de door van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) Galba, Otho, Vitellius en uiteindelijk Vespasianus aan de macht waren als keizer. Het jaar bestond uit machtstrubbelingen waarin de generaals elkaar afwisselden. Toen Otho aan de macht was en door Vitellius' troepen werd verslagen, brak er volgens Tacitus onrust uit in het legerkamp van Otho's troepen. Generaals vluchtten en de onderbevelhebber Vedius Aquila van één van Otho's legioenen raakte daarin verzeild (Historiën 2.44):
Vedius Aquila, de onderbevelhebber van het dertiende legioen - zijn onberaden angst deed hem slachtoffer worden van de woede van de soldaten. Het was nog klaarlichte dag toen hij binnen de legerwal kwam en met luid getier de oproerlingen en degenen die wilden vluchten hem tot het middelpunt maakten van hun tumult. Voor geen scheldwoorden, voor geen handtastelijkheden ontzien zij zich zij jouwen hem uit voor deserteur en verrader, niet omdat nu juist híj zich aan een bijzonder misdrijf had schuldig gemaakt, doch naar de gewoonte van het grauw, dat man voor man de neiging heeft de schuld van eigen schande anderen in de schoenen te schuiven.
Het gewone volk, waar deze soldaten kennelijk tot hoorden, was voor de meeste schrijvers van de senatorenstand geen knip voor de neus waard en Tacitus laat hier ook duidelijk zien dat er geen eer te behalen was voor Aquila. 

zondag 20 mei 2012

Hier rust Lucius Cassius Clemens

Toen ik een paar maanden geleden bij Museum Het Valkhof in Nijmegen was met Dennis (die ook een Oudheidblog heeft), hebben we een tijdje stilgestaan bij de Romeinse grafstenen die daar te zien zijn. Eentje daarvan trok destijds mijn speciale aandacht omdat deze zo goed bewaard is gebleven en in de regio gevonden is waar ik vaak op de racefiets zit (op de Hengstberg in Ubbergen). In Nijmegen staat iets verder richting het museum, op het Kops Plateau, een scherm langs de weg waar het uitzicht dat je vanaf daar hebt in een animatie is omgevormd naar het Romeinse legerkamp dat daar heeft gelegen. Dit soort dingen brengen de Oudheid dichtbij.

Bron: Collectie Gelderland, nr 1045-BA.IV.28

Ook dit soort grafstenen zijn interessant en dan met name omdat iedereen die ernaar kijkt zonder al teveel voorkennis kan zien wat erop staat en er verder zelf een voorstelling bij kan maken. Wat er staat is, uitgeschreven het volgende:

L.CASSIVS.L.F / STELL.CLEME / NS.TAVRVS.MIL / LEG.X.GEM.AN / XL.ST.XXI.HSE

L.CASSIVS is de naam van de overledene: Lucius Cassius. Hij bleek zoon te zijn van een andere Lucius (F. staat voor "zoon van"). Hij was lid van het kiesdistrict STELLA(tina) en zijn bijnaam (Romeinse burgers hadden drie namen, een voornaam (praenomen), een familienaam (nomen gentile) en een bijnaam (cognomen). Soms hadden zij meerdere bijnamen, zoals de oorlogsheld Publius Cornelius Scipio Africanus) was CLEME(ns). Hij kwam het gebied van Turijn (NS.TAUVRUS) en was soldaat (MIL(es). Als soldaat diende hij bij het tiende legioen (LEG.X, in Romeinse cijfers) dat de bijnaam GEM(ina) had ("tweeling"). Hij was AN.XL (40 jaar) en ontving XXI ST(ipendia, "jaarinkomens"). HSE betekent "hier bevindt hij zich" ("hic situs est").

van Cassius is verder niets bekend (voorzover ik weet), maar dit geeft wel een hoop informatie die de Romeinen dichtbij brengt. Een jongen van 19 uit Turijn komt als soldaat naar de Rijngrens en heeft 21 jaar dienst in een legioen waarin hij voldoende geld bij elkaar spaart om een mooie grafsteen te laten maken bij zijn overlijden na die dienstjaren.