Tot 40% extra korting op winters assortiment!
Posts tonen met het label Pontus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pontus. Alle posts tonen

donderdag 24 oktober 2013

Vieze dingen eten

De eerder aan bod gekomen koning Mithradates VI van Pontus (±119 - 63 v.Chr.) was meer dan alleen een gevreesde en gehate vijand voor de Romeinen. Hij was namelijk ook een toxicoloog, gifdeskundige van het allerhoogste niveau. Mithradates was op de hoogte van het bestaan van veel verschillende planten waar je iemand mee van kant kon maken en hij wist ook veel kennis over gif te krijgen door te testen op ter dood veroordeelden. Waar Mithradates vooral veel faam mee maakte, was Mithridatium, een vermeend soort universeel antigif waar Mithradates zelf iedere dag een kleine portie van nam om zich te beschermen tegen zijn eigen hobby.

Mithradates test zijn middelen
Bron: Toxipedia

Wat zat er in deze cocktail? Opvallend genoeg hebben we een recept. De Romeinse schrijver Aulus Cornelius Celsus (1e eeuw n.Chr.) beschrijft het. (Over Geneesmiddelen V.23.3):
[...] Het bevat 1-66 gram balsemwormkruid, 20 gram kalmoes, hertshooi, eucalyptus, sagapenum, sap van de acacia, Illirische iris, kardemom, allen 8 gram, 12 gram anijs, narduskruid, gele gentiaan en gedroogde rozenblaadjes, allen 16 gram, [...er zitten tientallen verschillende ingrediënten in...] Deze dienen te worden gestampt en opgenomen te worden in honing. Tegen vergiftiging wordt een deel zo groot als een amandel in de wijn gestopt. In andere toepassingen is een hoeveelheid zoveel als een Egyptische boon voldoende.
Je moet er wat voor over hebben om veilig te zijn. Nadeel is wel dat je dan wel veilig bent tegen gif. Dat is een nadeel, als je zelfmoord probeert te plegen. Mithradates kreeg het dan uiteindelijk niet voor elkaar en liet een Gallische officier hem maar doden met een zwaard (Appianus, Mithradatische Oorlogen 111)

Boekentip voor vandaag:
Adrienne Mayor, The Poison King (met name hoofdstuk 11: Living like a king)

maandag 30 september 2013

Dertien tegen ruim honderdduizend

Veldslagen uit de Oudheid komen soms behoorlijk gedetailleerd terug in de bronnen. We lezen hoe de linkerflank zich om de legers van de vijand heen manoeuvreerde en hoe deze een aanval in de rug plaatste terwijl het centrum frontaal op de vijand inrende. Zoals we eerder hebben gezien, ontbreekt er vaak één belangrijk element in de teksten over de veldslagen: aantallen. Soms spreken de bronnen elkaar tegen, soms zijn de cijfers simpelweg belachelijk.

Eergisteren repte ik even over de Slag bij Chaeronea (86 v.Chr.), de geboorteplaats van Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.). Dit is ook zo'n geval waar je je afvraagt of de cijfers wel kloppen. We weten dat er een grote veldslag heeft plaatsgehad en we weten dat de Romeinen onder Lucius Cornelius Sulla (±138 - 68 v.Chr.) de troepen van Pontus onder Archelaüs versloeg en het lijkt erop dat dat overtuigend geweest is en er weinig heel gelaten is van de vijand, maar de cijfers slagen er niet in om me te overtuigen. 

Volgens de Alexandrijnse historicus Appianus (±95 - ±165 n.Chr.) bestond het leger van Pontus uit ongeveer 120.000 man en had Sulla zo'n 40.000 man onder zijn commando. In de beginfase van de veldslag leken de Romeinen te worden afgeslacht, maar zij raakten niet in paniek en namen het initiatief over. Uiteindelijk vluchtten de vijanden naar hun kamp waar vrijwel niemand veilig wist aan te komen. Appianus geeft de cijfers (Mithradatische Oorlogen VI.45):
Archelaüs en de anderen die afzondrlijk waren gevlucht, kwamen samen in Chalcis. Niet meer dan 10.000 van de 120.000 hadden het overleefd. De verliezen bij de Romeinen waren slechts vijftien en twee van hen kwamen later opdagen.
Een overtuigende overwinning. Drie volle voetbalstadions aan doden voor de ene kant, wat bij mij kwam kijken toen ik voetbalde aan de andere kant. Daar kan ik mee leven!

Boekentip voor vandaag:
Appianus, The Foreign Wars

zondag 14 juli 2013

Het wapen in de broek

Bij de opkomst van de eerder genoemde koning Mithradates van Pontus (132 - 63 v.Chr.) raakte hij in conflict met Nicomede III van Bithynië (r. 127 - 94 v.Chr.), een naburige regio over de regio Cappadocia in het binnenland van het huidige Turkije. In Cappadocia zat Ariarathes VII (met een niet bijster originele naam trouwens)op de troon met de steun van Nicomedes. Deze jongeman had niet de steun van Mithradates, dus wat volgde was een militaire confrontatie.

De Romeinse historicus Marcus Iunianus Iustinus (vermoedelijk 2e eeuw n.Chr.) meldt dat er geen veldslag aan te pas kwam en de zaken onderling werden geregeld toen Mithradates een persoonlijk onderhoud met Ariarathes aanvroeg. De koning van Cappadocia stuurde eerst iemand om Mithradates te fouilleren op wapens. Iustinus vertelt verder (Geschiedenis van Philippus XXXVIII.1):
[...O]mdat hij [Mithradates] bang was voor de onzekerheid van de veldslag [Ariarathes had ook een groot leger], ging hij over tot bedrog en hij nodigde de jonge vorst uit voor een vergadering. Hij had een wapen verstopt in zijn broek en zei tegen de fouilleerder die naar het gebruik van de vorsten door Ariarathes was gestuurd om de persoon te onderzoeken en die zeer zorgvuldig rond zijn lies zat te zoeken dat "hij beter zou moeten opletten, omdat hij anders een ander soort wapen zou vinden dan het soort waar hij naar op zoek was."
De jongeman trapte erin en liet Mithradates verder door. Met dat wapen in de broek doodde hij Ariarathes en zette een nieuwe Ariarathes op de troon. Het was zo origineel...

Boekentip voor vandaag:
Marcus Iunianus Iustinus, Epitome of the Philippic History of Pompeius Trogus
Adrienne Mayor, The Poison King. The Life and Legend of Mithradates 

zondag 30 juni 2013

Ze was lelijk

Een groot probleem dat regelmatig opduikt als je je verdiept in de Oudheid is dat sommige dingen gewoon niet te weten vallen. Bijvoorbeeld: tempels en inscripties zijn er wel en vaak meldt een schrijver ook wel iets, maar we kunnen nooit met zekerheid te weten komen wat mensen diep van binnen voelden. Een ander voorbeeld is het familieleven aan het hof van een koning. Meestal is wel bekend of de koning kinderen heeft en de namen zijn ook wel te achterhalen (vrijwel alleen bij de allerhoogste mensen), maar het vergt iets opvallends om meer te weten te komen over zo'n kind.

Zo had de eerder genoemde koning Mithradates VI van Pontus (132 - 63 v.Chr.) een aantal kinderen bij zijn verschillende vrouwen. Bij zijn "hoofdvrouw," koningin Laodice, die overigens ook zijn zus was, had hij een dochter. Deze had echter een afwijking, zo meldt de Romeinse historicus Valerius Maximus (1e eeuw n.Chr.). In een terloopse opmerking meldt Valerius (Gedenkwaardige Daden en Woorden I.8e.13.):
Maar Drypertinè, de dochter van koning Mithradates die uit koningin Laodice was geboren, met een dubbele rij tanden erg lelijk, was reisgenoot van haar vader toen Pompeius hem verslagen had.
Dat is alles wat we over deze arme meid weten...

Boekentip voor vandaag:

Adrienne Mayor, The Poison King. The Life and Legend of Mithradates 

vrijdag 28 juni 2013

Je bij bosjes doodwerken om een beetje arseen

Er zijn plekken op aarde waar het niet goed toeven is, dus dan kom je daar liever niet. Wanneer deze plekken iets te bieden hebben aan natuurlijke grondstoffen, is er altijd wel iemand die probeert dit te exploiteren en er geld mee te verdienen. Dat was in de Oudheid niet anders. In Pontus, een regio in het Noorden van het huidige Turkije. In de regio stond de berg Sandaracurgium waar arseen werd gewonnen in een mijn. Dit was volgens de Griekse geograaf Strabo (64 v.Chr. - 19 n.Chr.) geen erg lucratieve zaak (Geografika XII.3.40):
De berg Sandaracurgium is uitgehold door de mijnactiviteiten die daar zijn gedaan, want de werkers groeven er diepe grotten onder. De mijn werd bewerkt door zakenlieden [publicani] die als mijnwerkers slaven gebruikten die op de slavenmarkt waren verkocht omwille van hun misdaden; want, naast de pijnlijkheid van het werk, zegt men dat de lucht in de mijnen zowel dodelijk was als moeilijk uit te houden door de vreselijke stank van de ertsen, waardoor de werkers gedoemd waren tot een snelle dood. De mijnen stonden ook vaak leeg omwille van de onprofijtelijkheid ervan, omdat de werkers niet alleen meer dan tweehonderd in getal waren, maar ook steeds weer vervielen vanwege ziekte en dood.
De Romeinse publicani stonden niet bekend om hun aandacht voor het welzijn van de werknemers [meestal slaven]. Dat de mijnen onbewerkt bleven had meer te maken met het feit dat de opbrengsten nauwelijks meer opwogen tegen de kosten van het steeds weer opnieuw aanvoeren van ter dood veroordeelde slaven voor het werk.

Boekentip voor vandaag:
Strabo, The Geography of Strabo