In 83 of 84 n.Chr. versloegen de Romeinse legioenen onder Gnaeus Julius Agricola (40 - 93 n.Chr.) bij de berg Mons Graupius in Caledonië (het huidige Schotland) de troepen die onder leiding stonden van ene Galgacus. Van deze strijd is een verslag opgetekend door de schoonzoon van Agricola, de bekende Romeinse historicus Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft in de biografie van zijn schoonvader hoe succesvol diens carrière wel niet was.
Daarnaast schrijft hij nog iets interessants. Zoals we eerder hebben gezien, schreven de historici in de Oudheid vaak zelf toespraken van veldheren en politici waarin ze niet zozeer de woorden van de spreker zelf citeerden, maar er zelf een verhaal van maakten. Tacitus is hierin interessant, want hij staat bekend als behoorlijk kritisch naar de Romeinen en hun imperialisme. Zo laat hij Galgacus voor aanvang van de Slag bij Mons Graupius de volgende woorden uitspreken (Agricola 30):
Tot op de dag van vandaag heeft de afgelegen ligging zelf en de uithoek van bekendheid ons, laatsten van de landen en van vrijheid, verdedigd. Nu staat de grens van Brittannië open en al het onbekende is tot ontzag. Maar er is reeds geen volk voorbij ons, niets behalve golven en rotsen, en de nog dreigendere Romeinen, wiens hoogmoed je tevergeefs zou proberen te ontvluchten door onderdanigheid en bescheidenheid. Rovers van de wereld onderzoeken ook al de zee, nadat landen voor hen die alle dingen verwoesten ontbreken. Als de vijand rijk is, zijn ze hebzuchtig, indien arm, heerszuchtig; hen zou noch het westen, noch het oosten kunnen verzadigen. Als enigen van allen begeren zij zowel rijkdom als armoede met gelijke drang. Roven, moorden en plunderen noemen ze met valse namen een rijk, en, waar ze een woestenij maken, noemen ze het vrede.
Tacitus houdt de Romeinen hiermee een spiegel voor. Het oude Romeinse idee van een rechtvaardige oorlog is ver te zoeken en Tacitus is ook een schrijver die de teloorgang van deze waarde uit de Romeinse Republiek betreurt. Daarnaast komt het modern over. Toen de Amerikanen Irak aanvielen, hoorde je ook dit soort kritiek. In zoverre kunnen we stellen dat de grote mogendheden altijd de schijn tegen hebben.
Hardlopen is een hobby van me. Ik ren een paar keer per week een paar kilometer in de omgeving waar ik woon en kom dan soms in de runner's high. Ik stel me dan op een of andere manier voor dat ik een aantal Kenyanen en Ethiopiërs probeer af te schudden in één van de grote marathons van het jaar.
De marathon is genoemd naar de Slag bij Marathon (490 v.Chr.), in de buurt van Athene, tijdens de Eerste Perzische Oorlog waar ik het eerder al eens over gehad heb in één van mijn eerste berichten. De Grieken wisten in het veld bij Marathon de Perzen daar verrassend genoeg te verslaan en volgens de overlevering stuurden ze een bode, genaamd Pheidippides naar Athene om het goede nieuws te vertellen tegen de politieke leiders daar.
De bode wist de ruim 40 km van Marathon naar Athene af te leggen en meldde zich bij de leiders. De schrijver Lucianus van Samosata (±120 - ±180 n. Chr.) heeft voor ons dit verhaal opgetekend in een relaas over het gebruik van een bepaald soort groet in de Griekse taal uit die tijd. De interessantste feitjes uit de Oudheid komen soms tot ons via ongebruikelijke wegen. Lucianus schrijft (Een verspreking bij het groeten, 3):
Het moderne gebruik van het woord ["Vreugde" in begroetingen] dateert terug tot Philippides [vaak is achteraf niet volledig bekend hoe een persoon uit de Griekse Oudheid precies heette], de renner. Toen hij het nieuws van Marathon kwam brengen, vond hij de leiders gezeten, in spanning onwille van het onwerwerp van de slag. "We hebben gewonnen, vreugde!" zie hij, en hij stierf daarna, zijn laatste adem uitblazend in het woord "Vreugde".
Hoewel getwijfeld kan worden aan de authenticiteit van een verhaal als dit (waarom geen paard berijden op dit moment?) is het een inspirerend verhaal. Inmiddels zijn we 2500 jaar verder en hoewel niemand weet wie Pheidippides of Philippides was, iedereen weet wat hij gedaan heeft.
Eerder deze maand kwam de keizer Elagabalus (203/204 - 222 n.Chr.) aan bod en de merkwaardige humor die deze man erop na hield. Waar Elagabalus echter bekender om in geworden, is de introductie van de god El Gabal in Rome. Deze Syrische zonnegod lag de keizer na aan het hart, want voor hij in Rome de touwtjes in handen kreeg, was hij hogepriester van El Gabal in Emesa, in Syrië. Met zijn aantreden als keizer bracht hij ook de cultus van de god naar Rome, zij het onder een andere naam: Sol Invictus (onoverwinnelijke zon).
Opvallend aan deze god was dat hij zou huizen in een Baetilus, een heilige, kegelvormige steen. Voor de Romeinen en andere volkeren in de Oudheid was de god of godin fysiek aanwezig in de standbeelden en andere voorwerpen die ermee in verband werden gebracht. Zo ook bij Sol Invictus en zijn steen. Dit zorgde ervoor dat er interessante boodschappen op de munten van deze keizer werden gezet, zoals onderstaande gouden munt:
bron: Wikipedia
Op de voorzijde, links, staat een portret van Elagabalus, voorzien van gebruikelijke tekst eromheen, maar het bijzondere zit hem aan de opdruk op de keerzijde. Een vierspan wordt getrokken door paarden en op de wagen staat een grote steen. De legenda (opschrift) zegt "SANCT DEO SOL I ELAGABAL" wat betekent "Heilige god onoverwonnen zon Elagabalus". Volgens de Griekse historicus Herodianus (±170 - ±240 n.Chr.) bleef het niet bij het afbeelden van een steen op een munt, maar werd hij rondgeparadeerd (Romeinse Geschiedenis 5.VI.7):
Een strijdwagen met zes paarden droeg de zonnegod, de paarden enorm en volmaakt wit, met dure gouden gespen en rijke versielselen. Niemand hield de teugels vast en niemand reed in de strijdwagen; het voertuig werd geëscorteerd alsof de zonnegod zelf de menner was. Elagabalus rende achterstevoren voor de strijdwagen, de god aankijkend en de teugels van de paarden vasthoudend. Hij maakte de hele tocht op deze achterstevoren-manier, terwijl hij in het gezicht van zijn god keek.
Wát een schitterende steen moet dat geweest zijn!
De Griekse dichteres Sappho (7e en 6e eeuw v.Chr.) stond bekend om haar liefdesgedichten naar vrouwen. Eerder hebben we gezien dat het feit dat zijn van het eiland Lesbos kwam "lesbisch" een nieuwe betekenis heeft gegeven. Vandaag komt haar werk aan bod. Van Sappho zijn ondanks pogingen van de Kerk om het te doen verdwijnen, gedichten bewaard gebleven en er zitten juweeltjes tussen. Zo ook deze, over de zoektocht naar een geliefde (XLVI):
Ik zoek en verlang,
Zelfs als de wind
Die over het veld waart
En de bloesem
Van de appelboom in beweging brengt.
Ik draal door het leven
Met de zoekende ziel
Die nooit rust vindt
Tot ik de schaduw vind
Van de deur van mijn geliefde.
Stilte.
De stad Rome, met al haar grootsheid is ook klein begonnen. De Romeinse geschiedschrijver Gaius Suetonius Tranquillus (69/70 - 140 n.Chr.) schrijft over keizer Augustus (63 v.Chr. - 14 n.Chr.) dat hij een stad van baksteen had aangetroffen en een stad van marmer achterliet bij zijn dood (Augustus 28.3). Dit roept de vraag op wie de stad van bakstenen heeft gesticht. De stichter van Rome moet Romulus geweest zijn. Zijn bestaan en zijn leven zijn niet onomstreden maar algemeen wordt hij genoemd als de stichter van de stad en eerste van een zevental koningen in de Romeinse Koningstijd (±750 - 509 v.Chr.).
Romulus kreeg het voor elkaar een stad te stichten en een behoorlijke bevolking bij elkaar te krijgen. Er was alleen een probleem: vrijwel alle bewoners van het vroege Rome waren mannen en dat is geen vruchtbare situatie voor een stad die lang wil blijven bestaan. Letterlijk. Om die reden moest Romulus wat bedenken en dat deed hij. De Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr.) vertelt dat daarvoor Sabijnse vrouwen werden geroofd. Het geraffineerde plan van Romulus ging als volgt (Romulus 14.3-5):
Als eerste werd door hem een boodschap naar het buitenland verspreid dat hij een ondergronds altaar van een bepaalde god had ontdekt. [...] Nu dit altaar was ontdekt vaardigde Romulus er bij proclamatie een geweldig offer op uit en een spektakel open voor alle mensen. En er kwamen veel mensen op af, terwijl hij zelf vooraan zat, tussen zijn belangrijkste mensen, gekleed in purper [koninklijke en keizerlijke kleur voor de Romeinen]. Het signaal dat de tijd voor de aanval was aangebroken zou zijn dat hij zou opstaan, zijn mantel zou vouwen en weer om zich heen zou werpen. Gewapend met zwaarden hielden veel van zijn volgelingen hun ogen op hem gefixeerd en toen het signaal gegeven werd, haalden zij hun zwaard tevoorscheid en gristen gillend de dochters van de Sabijnen weg, maar stonden de mannen toe en spoorden hen aan te ontsnappen.
En voilà, er waren Romeinse vrouwen. Later speelden zij nog een belangrijke rol in een politieke kwestie door niet toe te staan dan hun nieuwe echtgenoten (want ze bleven in Rome) zouden strijden tegen hun vaders en broers. Dat kon destijds zo gewoon.
Eén van de bekende verhalen uit de Oudheid gaat over keizer Nero (37 - 68 n.Chr.). Tijdens zijn regeerperiode was er een grote brand in Rome waarna Nero een groot bouwproject in gang zette. Mede om die reden wordt hem verweten dat hij iets te maken zou hebben gehad met de brand. Sterker nog, het verhaal gaat dat Nero zou hebben zitten toekijken hoe half Rome in vlammen opging terwijl hij op zijn viool speelde.
Dit verhaal past prima binnen de reputatie die Nero tegenwoordig heeft en heeft daar vermoedelijk zelf een grotere rol in gespeeld dan wat dan ook, maar we krijgen van de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus (56 - 117 n.Chr.) een ander verhaal. Hij is stellig in zijn opmerking dat Nero geen viool heeft zitten spelen (Annalen 15.39):
Op dit moment was Nero in Antium [zo'n 50 km ten Zuidoosten van Rome] en hij keerde niet terug voor het vuur zijn huis, dat hij gebouwd had om het paleis met de tuin van Maecenas te verbinden, naderde. Het kon echter niet tegengehouden worden om het paleis, het huis en alles eromheen te vernietigen. Om de bevolking die dakloos was geworden, te helpen, opende hij het Marsveld en de openbare gebouwen van Agrippa aan hen, en zelfs zijn eigen tuinen, en richtte tijdelijke gebouwen op om de berooide massa te ontvangen. Voedsel werd aangevoerd vanuit Ostia [de haven van Rome] en de nabijgelegen steden en de prijs van koren werd teruggebracht tot drie sestertiën per partij. Deze daden zorgden voor weinig effecten, ook al waren ze populair, omdat er een gerucht rondging dat de keizer op het moment dat de stad in brand stond, optrad op een privé-podium en de vernietiging van Troje bezong, waarmee hij de huidige ongelukkigheden vergeleek met de verschrikkingen uit de Oudheid.
Het was een gerucht. Tacitus beschrijft wat Nero allemaal gedaan zou hebben en dit strookt niet met de ongeïnteresseerde houding die hem ook wordt toegeschreven. Wat er waar is, dat is een tweede, maar het is vermoedelijk niet allebei zo.
Twee weken geleden kwam hij al aan bod, de Griekse epische dichter Homerus (8e eeuw v.Chr.). Vandaag gaan we niet alleen naar een ander werk van zijn hand, de Odyssee, maar ook meer naar het verhaal zelf. De Odyssee is misschien wel een interessanter werk dan de Illias dus is het onderhand tijd dat het aan bod komt. In dit werk wordt het laatste deel van de oorlog tegen Troje verteld, waarna één van de Griekse helden, Odysseus, probeert naar huis te komen. Odysseus komt van Ithaka, het huidige Thiaki aan de Griekse Westkust.
Onderweg komt Odysseus allerlei mythische wezens tegen, zoals Cyclopen en de tovenares Circe. Odysseus gevolg werd steeds kleiner door alle gevaren die ze tegen kwamen, maar Odysseus brengt zichzelf in gevaar als hij door Circe gewaarschuwd wordt voor de Sirenen. Zij zongen voor zeelieden die in de buurt van hun gebied kwamen en deden dat zó prachtig dat de zeelieden in vervoering raakten en schepen op de rotsen sloegen. Odysseus wilde dat uiteraard graag horen, maar begreep dat hij dan wel wat moest regelen als hij ooit thuis wilde komen, dus bedacht hij iets en legde het uit aan zijn mannen (Odyssee 12.158-164):
"[...] Zij [Circe] drukte ons op het hart vooreerst het gezang van de goddelijke Sirenen
te vermijden en hun weide, met bloemen bedekt.
Alleen ik, spoorde ze aan, zou het gezang mogen beluisteren; maar bind mij
dan vast in knellende boeien, zodat ik mij niet kan verroeren,
rechtop aan de mastvoet, daaraan moeten de lijnen bevestigd.
Als ik jullie nu zal smeken en bevelen mij los te maken,
bind mij dan vast met nog meer touwen".
Vervolgens moest Odysseus wat bedenken om ervoor te zorgen dat de boot toch verder ging en niet op de rotsen te pletter sloeg. De mannen mochten dus niets horen. Odysseus had nog een idee, want zo was hij (Odyssee 12.173-180):
Maar ik sneed een grote klomp was met mijn scherpe zwaard
in kleine stukjes en kneedde ze met mijn stevige handen;
en al gauw werd de was zacht, want mijn grote kracht dreef het daartoe
alsook de gloed van de Zon, vorst Hyperion.
Langs mijn mannen gaand smeerde ik bij allen de oren in.
En zij bonden mij vast aan het schip, aan handen en voeten,
rechtop aan de mastvoet, en daaraan maakten zij de touwen vast.
Terug op hun plaats sloegen zij de grauwgrijze zee met hun riemen.
Het hoeft niet ingewikkeld te zijn!