Tot 40% extra korting op winters assortiment!

maandag 14 mei 2012

Onkruid vergaat niet vanzelf

Twee dagen geleden kwam de Lex Claudia aan bod die senatoren verbood handel te drijven. Dit betekende in de praktijk dat de meeste senatoren zich gingen/bleven bezig houden met grootgrondbezit en landbouw. Landbouw was een zeer respectabele manier om aan je inkomsten te komen en het was bovendien goed mogelijk er heel veel mee te verdienen, maar dan moesten wel een aantal voorschriften in acht genomen worden. Die voorschriften werden door de grote epische dichter Vergilius beschreven in zijn werk Georgica, een handboek voor landbouw. Nadat hij kort uitlegt wat de voordelen van crop rotation zijn, komt hij met een aantal gouden tips: (Georgica 1.153-159):
Als u niet voortdurend met uw hark achter het onkruid aan zit, met geschreeuw de vogels wegjaagt, met het snoeimes het schaduwrijke gebladerte dat uw land verduistert, snoeit en met gebeden de regen afsmeekt - helaas! Dan zult u nog eens teleurgesteld naar andermans opgetaste voorraad staan te kijken en in de bossen uw honger proberen te stillen door aan eiken te schudden!
Hou je land dus goed bij en zorg dat de vogels uit de buurt blijven, want voor je het weet zit je eikels te rapen om in leven te blijven! Gouden tip! En in het Latijn (onderste regels) volgt het nog een mooi metrum ook!

zaterdag 12 mei 2012

Verboden ondernemerschap

Gaius Flaminius Nepos (? - 217 v.Chr.) was in de Romeinse republiek een belangrijke politicus in de klassenstrijd tussen patriciërs(aristocraten) en plebejers(gewoon volk). Hij was senator en had zich niet populair gemaakt bij zijn collega's aan de top. Toen de volkstribuun (een belangrijke politieke figuur aan de kant van de plebejers) Quintus Claudius in 218 een wetsvoorstel deed om de positie van senatoren te verzwakken, was het Flaminius die het voorstel als consul door de senaat duwde (verder was niemand het ermee eens).


De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius (59 v.Chr. - 18 n.Chr.) legt uit waar deze Lex Claudia (wet van Claudius) over ging (Vanaf de stichting van de Stad 61.63.3-5):
Hij[Flaminius] was ook gehaat bij de senatoren vanwege een wet zonder die zijn weerga niet kende die Quintus Claudius, de volkstribuun had geïntroduceerd, de tegenstand van de senaat ten spijt, met de steun van alléén Gaius Flaminius, waardoor een senator en zijn zoon geen schepen mochten bezitten met een laadvermogen van meer dan 300 kruiken [ongeveer 7 ton] - hetgeen als voldoende beoordeeld werd om de gewassen van het veld te transporteren, en al het ondernemerschap werd als onbehoorlijk voor een senator gezien. Deze maatregel die grote tegenstand genoot, was erg productief in het veroorzaken van afkeer van de edelen jegens Flaminius, die de bekrachtiging ervan had gesteund; maar het leverde hem wel de steun van het volk of en nadien een tweede consulaat [men was consul voor een periode van één jaar].
Doordat Flaminius de Lex Claudia wist door te duwen, was handel juridisch onmogelijk voor senatoren. Dit betekende niet dat het niet meer gebeurde, want men huurde gewoon een slaaf in of legde een andere omweg aan om de regel te omzeilen, maar het geeft wel aan dat er in die tijd krachten bestonden in de Romeinse samenleving die de politieke elite uit de buurt van handels-ondernemerschap probeerden te houden. Tegenwoordig is dan duidelijk anders.

donderdag 10 mei 2012

Waar de koe gaat liggen

In de Oudheid was er een belangrijke traditie van schrijvers die steden of volkeren probeerden te duiden. Soms werden speciale kenmerken van het volk in kwestie ergens aan toegedicht, zoals bij de Hunnen het geval was en vaak was het een mythische figuur die een stad gesticht zou hebben en daar de zijn naam aan zou hebben meegegeven. Meestal zat er een zekere mythologische slag in het verhaal. 


Eén van de grote etnografen uit de Oudheid was de Griek Strabo (64 v.Chr. - 19 n.Chr.) die bekend is geworden door zijn werk Geografika. Interessant hierin is dat hij hele gebieden langsloopt en allerlei wetenswaardigheden over die gebieden en hun inwoners oprakelt. Op een gegeven moment komt Strabo uit bij een volk waar de Romeinen veel mee te maken hadden, de Samnieten. Deze kwamen voor uit een zogenaamde ver sacrum (heilige lente) waarin alles wat in een bepaalde lente werd geproduceerd (en dat mag je breed zien), zou worden gewijd aan een godheid. Strabo vertelt (Geografika 5.4.12): 
De Sabini, die al een hele tijd in oorlog verwikkeld waren met de Ombrici, zweerden (zoals sommige Grieken dat doen) om alles dat dat jaar was geproduceerd te wijden; en bij het behalen van de overwinning offerden zij een deel en wijdden zij een deel van wat geproduceerd was. Vervolgens trad schaarste op en iemand zei dat ze ook de baby's [die in dat jaar waren geboren] moeten wijden; dat deden ze en ze wijdden alle kinderen die dat jaar waren geboren aan Mars [de oorlogsgod] en deze kinderen, toen ze volwassen waren geworden, zonden zij weg als kolonisten en ze werden geleid door een stier. Toen die zich te ruste legde in het land van de Opici (die toevallig alleen in dorpen leefden), verdreven de Sabini hen, vestigden zich op die plek en slachtten naar de uitspraken van de zieners [religieuze adviseurs, eenvoudig gezegd] de stier als een offer aan Mars die het als gids had gegeven.
Strabo gaat verder met de oorsprong van dit volk en komt nog uit bij een zelfde situatie, namelijk de oorsprong van de Hirpini. Dat waren ook kolonisten. Zij werden geleid door een wolf (hirpus in het Samnitisch).

dinsdag 8 mei 2012

Famous last words

Vandaag een kort stukje over de keizer Vespasianus (9 - 79 n.Chr.) die we kennen van het Colosseum dat in opdracht van deze keizer gebouwd werd en afgerond onder zijn zoon Titus (39 - 81 n.Chr). Vespasianus was als de grote overwinnaar gekomen uit het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr) waarin... vier mannen keizer van het Romeinse rijk waren. Vespasianus was daarvan de laatste en herstelde de politieke rust in het rijk. Hij is de geschiedenis in gegaan een een Goede Keizer en om die reden na zijn door vergoddelijkt (net als Septimius Severus die ik vorige week besprak). 


Opmerkelijk bij Vespasianus is onder anderen de manier waarop hij met zijn aanstaande overlijden omgaat, althans, de manier waarop de biograaf Suetonius (69/70 - 140 n.Chr.) hem in die laatste levensfase neerzet. Nadat Suetonius een aantal opmerkelijke voortekenen meldt, citeert hij de keizer die kennelijk in de gaten had hoe laat het was (Vespasianus 23):
Ik denk dat ik heel binnenkort een god word.
Volgens Suetonius waren dit niet de laatste woorden van de keizer. De biograaf sluit het leven van Vespasianus af door te schrijven dat hij bijna het bewustzijn verloor door een aanval van buikloop. Hij zou hebben gezegd dat een keizer staand hoorde te sterven. Dat deed hij ook, in de armen van zij die hem overeind hielpen (Vespasianus 24). Gegeven die laatste scene hou ik het zelf liever bij dit citaat als famous last words.

zondag 6 mei 2012

Wraak

De Grieken kenden een interessante traditie van goddelijke wraak. Ik heb het eerder gehad over Sisyphus die een rots een berghelling op moest duwen. Dit was echter niet de enige vorm van van goddelijke wraak die tot ons is gekomen. Niet alleen de mythologie zit er vol mee (Prometheus is een hele bekende), maar ook geschiedschrijvers komen met voorbeelden. Het mag geen verrassing heten dat het het Herodotus van Halicarnassus (±485 - ±425 v.Chr) was die het lot van Pheretimè, de koningin van Cyrene in Libië verhaalt.


In de stad Barcè werd koning Arkesilaus gedood en uit navraag bleek dat de héle stad schuldig was (Historiën 4.167.2). De logische stap was vervolgens om de hele stad te straffen. Daarom stuurde de koning van Perzië een leger met Pheretimè aan het hoofd om de stad te belegeren. Pogingen om onder de stadsmuren door te graven mislukten en ook andere pogingen de stad in te nemen liepen op niets uit. Een list moest uitkomst brengen. Herodotus vertelt (Historiën 4.201): 
Toen veel tijd voorbij weg gegaan en aan beide zijden (niet minder aan de Perzische kant dan bij hun vijanden) velen gevallen waren, bedacht Amasis, de generaal van de infanterie een list, wetende dat Barcè niet ingenomen kon worden door kracht, maar misschien wel door bedrog: hij groef 's nachts een brede greppel en legde er zwakke planken overheen die hij vervolgens bedekte met een laag aarde tot het niveau van de grond eromheen. Toen de dag aanbrak, nodigde hij de inwoners van Barcè uit om met hem te spreken en zij gingen daarmee akkoord; eindelijk kwamen zij alleen de vredesvoorwaarden overeen. Dit was als volgt gedaan: terwijl ze op de verborgen greppel stonden, gaven en ontvingen zij een verzekering onder ede dat het verdrag gehandhaafd zal blijven zolang de grond onder hun voeten onveranderd zou blijven; de inwoners van Barcè beloofden een verschuldigd bedrag aan de koning [van Perzië] te betalen en de Perzen beloofden hen geen kwaad te doen. Zodra de gezworen overeenkomst gemaakt was opende de bevolking van de stad, erop vertrouwende, alle poorten en kwam uit de stad en liet al hun vijanden die dat wilden, binnen de muren. Maar de Perzen braken de verborgen brug af en renden de stad in. Ze braken de brug die ze gemaakt hadden af zodat zij de eed die ze gezworen hadden zouden naleven: namelijk dat deze overeenkomst geldig zou zijn zolang de grond zo zou blijven als die was; maar als zij de brug afbraken, dan zou de overeenkomst niet langer gelden.
Gewiekst! De Perzen spiesten de "meest schuldigen" op bevel van Pheretimè en de bevolking werd naar Bactrië (Afghanistan) gedeporteerd. De dood van Arkesilaus was op een hele succesvolle manier gewroken.  Uiteindelijk ging het daarom. Er was alleen één probleem. Herodotus merkt namelijk op dat de goden vonden dat dit teveel van het goede was en de verantwoordelijke voor deze buitenproportionele wraak kreeg haar straf (Historiën 4.205):
Maar met Pheretimè liep het ook niet goed af. Want zodra ze haar wraak had uitgeleefd op de inwoners van Barcè en teruggekeerd was naar Egypte, stierf ze een vreselijke dood. Terwijl ze nog leefde krioelde ze van maden: zo nodigt te wrede wraak de retributie van de goden uit. Die van Pheretimè, dochter van Battus, tegenover de inwoners van Barcè was van dien aard en die wreedheid.

vrijdag 4 mei 2012

Democratie is geen goed idee

Morgen is het Bevrijdingsdag waarin we het einde van de Tweede Wereldoorlog vieren en het feit dat we in vrijheid en democratie leven in Nederland. Voor een 21e eeuwse Nederlander is het politiek incorrect om überhaupt iets te zeggen tegen democratie, maar in de Oudheid was democratie bepaald niet onomstreden. Athene was wat haar staatsvorm betref zelfs een rare eend in de bijt. De meeste andere staten (poleis) hadden veelal een aristocratisch (aristeus betekent "de beste" en kratein is "heersen") régime waarin een kleine groep mannen de macht in handen had.

De Atheense democratie zorgde ervoor dat mensen die elders onderdrukt werden, grote macht kregen. Boeren, handelaren en zelfs slaven kregen grote macht. Althans, dat stelt een schrijver die de geschiedenis is ingegaan als De Oude Oligarch. Deze man schreef een pamflet waarin hui uitlegt wat de voordelen en nadelen van democratie zijn. Volgens hem ligt de democratie van Athene aan de basis van de suprematie van de Atheners op zee. Lange tijd was Athene heer en meester tussen de eilanden van Griekenland en wist het zo een grote rijkdom op te bouwen en uiteindelijk de stad worden die later de hoofdstad van Griekenland is geworden.

Probleem is volgens De Oude Oligarch dat het volk niet in staat geacht kan worden om de staat goed te leiden. Hij schrijft (Atheense Constitutie I.5):



Overal ter wereld is het zo: het beste element staat tegenover de democratie. Want bij de besten is de ongehoorzaamheid het geringste, en het onrecht, en is er de grootste zorg en aandacht voor alles wat goed is, maar bij het volk heerst de grootste domheid en ongedisciplineerdheid en slechtheid. Armoede drijft ze namelijk eerder in de richting van schandelijke praktijken, en ook het gebrek aan scholing, en de domheid die voortkomt uit gebrek aan middelen, bij sommigen.

De Oude Oligarch had duidelijk geen hoge pet op van het gewone volk. Het is zeer onwaarschijnlijk dat iemand tegenwoordig met dergelijke opmerkingen aan het adres van democratie wegkomt, maar in de Griekse Oudheid was snobisme heel wat acceptabeler dan nu.

woensdag 2 mei 2012

Had ik een broer dan?

De Romeinse keizer Septimius Severus (145 - 211 n.Chr.) had twee zoons: Caracalla (188 - 217 n.Chr.) en Geta (189 - 211 n.Chr.). Na de dood van Septimius Severus was het de bedoeling dat zijn beide zoons hem zouden opvolgen als twee gezamenlijke keizers. Probleem was alleen dat de jonge broertjes nogal een handje hadden in ruzie maken, op zijn zachts gezegd. Volgens de Griekstalige geschiedschrijver Herodianus (±170 - ±240 n.Chr.) uitte zich dat in de manier waarop de heren het keizerlijke paleis inrichtten (Romeinse Geschiedenis 4.1.5):
Iedere broer ging in zijn helft van het paleis wonen. Terwijl ze de binnendeuren barricadeerden, gebruikten ze alleen de openbare buitendeuren gezamenlijk. Carracalla en Geta stationeerden hun eigen privé-wachters en werden nooit samen gezien, behalve af en toe kort tijdens hun openbare verschijningen.
Eén van die gezamenlijke openbare verschijningen was de uitvaart van hun vader. Septimius Severus werd, naar goed Romeins gebruik,  als goede keizer na zijn dood tot een god verklaard (deificatio). Kort na de uitvaart liep het verder uit de hand tussen Caracalla en Geta. Volgens Herodianus was duidelijk dat Geta de good guy was en Caracalla de bad guy. Na een hoop strijd en pogingen de ander te vergiftigen of op een andere slinkse wijze om te brengen, neemt Caracalla op 19 december 211 zijn zwaard in de hand en begeeft zich naar zijn broer (Romeinse Geschiedenis 4.4.3):
Omdat zijn samenzweringspogingen niet succesvol waren bedacht hij dat hij een wanhopig en gevaarlijk plan moest proberen; [een gedeelte ontbreekt in de overgeleverde tekst], zijn moeder stierf van verdriet en zijn broer door verraad. Dodelijk verwond stierf Geta, zijn moeder's borst met bloed doorwekend. Nadat hij in zijn moord geslaagd was, rende Caracalla uit de kamer en haastte zich door het paleis, terwijl hij riep dat hij aan groot gevaar was ontsnapt en het er ternauwernood met zijn leven vanaf had gebracht.
Geta was dus dood en Caracalla kon het rijk verder een paar jaar beheersen tot hij zelf ook gedood werd. Hij wist de senaat ervan te overtuigen dat Geta hem en zijn moeder aangevallen had en dat Caracalla zich slechts had verdedigd. Geta werd daarop niet tot god verklaard, maar over hem werd een vervloeking van de herinnering (damnatio memoriae) uitgeroepen. Dat gebeurde wel vaker, maar bij Geta heeft dat interessante gevolgen gehad, zoals op deze afbeelding blijkt:


Bron: About.com

Septimius Severus en Julia Domna hadden twee kinderen: Caracalla en [...]