Van alle dingen die de wijze man probeert te vergaren om het geluk van een compleet leven te scheppen, is het bezit van vriendschap veruit het belangrijkste.
woensdag 30 mei 2012
Ode aan mijn vrienden
Vandaag geen lange inleiding, maar direct een stukje uit het werk van Epicurus (341 - 270 v.Chr.). Epicurus (niet te verwarren met de Epictetus van eergisteren) was een Griekse filosoof die de nadruk in zijn werk legde in het actief nastreven van de vervulling van behoeften om gelukkig te worden in het leven. Veertig van zijn citaten zijn gebundeld in de Doctrines van Epicurus. Hier een juweeltje (Doctrines 27):
maandag 28 mei 2012
Ere wie ere toekomt onder een zuilengalerij
Onder een zuilengalerij (stoa) in het Hellenistische Athene werd in de derde eeuw v.Chr. een filosofische stroming geboren die met name in Rome vaste voet kreeg in de keizertijd. Het gaat hier om het stoïcisme. Kernpunten van deze stroming waar wij het woord stoïcijns van hebben ontleend zijn pogingen om emoties zoveel mogelijk uit te schakelen en om te leven in samenspraak met een aantal kosmische beginselen.
Eén van de bekendste exponenten van deze stroming is Epictetus (±50 - ±130 n.Chr.). Deze kreupele filosoof heeft zelf geen teksten nagelaten, maar we beschikken wel over een 53-tal adviezen van Epictetus die zijn opgeschreven voor de historicus Lucius Flavius Arrianus (±86 - ±160 n.Chr.), een tijdgenoot van de filosoof die zelf vooral bekend geworden is door zijn werk over Alexander de Grote. Eén van deze adviezen luidt (Zakboekje 6):
Laat je nooit voorstaan op een goede eigenschap die niet van jezelf is. Als een paard vol trots zou verkondigen: "O, wat ben ik mooi!", is dat nog wel aanvaardbaar. Maar als jij trots zegt: "Ik heb toch zo'n mooi paard!", wees je dan wel bewust dat het een eigenschap van je paard is waarop je zo trots bent. Wat is namelijk jouw aandeel? Je past slechts indrukken van buitenaf toe. Daarom mag je alleen maar trots zijn als je bij het verwerken van die indrukken handelt in overeenstemming met de natuur. Pas dan laat je je namelijk voorstaan op een eigenschap van jezelf.Volgens Epictetus kun je alleen trots zijn op zaken waar je zelf invloed op hebt. Of het paard invloed heeft op zijn uiterlijk is een ander verhaal, maar antieke filosofie heeft soms wel sterke raakvlakken met de moderne wereld.
zaterdag 26 mei 2012
Meet Marius
Vorige week besprak ik de Lex Claudia die het voor leden van de senatorenstand (de hoogste adel) in de Romeinse Republiek onmogelijk maakte (wettelijk gezien dan) om handelsschepen te bezitten. Ik vertelde dat deze te plaatsen was binnen een brede klassestrijd in de samenleving waar het gewone volk en de traditionele senatorenfamilies in de clinch lagen.
Ongeveer een eeuw na de invoering van de Lex Claudia ontstond er een conflict tussen de Romeinen een een vorst in Noord-Afrika, Iugurtha. De oorlog met Iugurtha (111 - 104 v.Chr.) is uitgebreid beschreven door de Romeinse geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus (86 - 35 v.Chr.). Hij schrijft in zijn werk dat helemaal over deze oorlog gaat dat de Romeinen Quintus Caecilius Metellus (±135 - 91 v.Chr.), een telg uit de rijke senatorenfamilie van de Caecilia, met een leger naar Noord-Afrika gestuurd werd om Iugurtha te verslaan. Eén van zijn commandanten was de man die later één van de belangrijkste figuren uit de Romeinse geschiedenis zou blijken, Gaius Marius (157 - 86 v.Chr.).
Toen in 107 consulverkiezingen werden gehouden in Rome, bleek Marius de grote favoriet. Er waren alleen twee problemen: Gaius Marius zat in Afrika en Gaius Marius kwam niet uit een senatoriale familie. Met die bagage (en met een gunstig voorteken uit een offerdier) begaf hij zich naar Metellus om verlof aan te vragen om naar Rome te kunnen voor de verkiezingen waar een kandidaat bij aanwezig moest zijn. Sallustius vertelt wat toen gebeurde (Oorlog met Iugurtha 64):
Ongeveer een eeuw na de invoering van de Lex Claudia ontstond er een conflict tussen de Romeinen een een vorst in Noord-Afrika, Iugurtha. De oorlog met Iugurtha (111 - 104 v.Chr.) is uitgebreid beschreven door de Romeinse geschiedschrijver Gaius Sallustius Crispus (86 - 35 v.Chr.). Hij schrijft in zijn werk dat helemaal over deze oorlog gaat dat de Romeinen Quintus Caecilius Metellus (±135 - 91 v.Chr.), een telg uit de rijke senatorenfamilie van de Caecilia, met een leger naar Noord-Afrika gestuurd werd om Iugurtha te verslaan. Eén van zijn commandanten was de man die later één van de belangrijkste figuren uit de Romeinse geschiedenis zou blijken, Gaius Marius (157 - 86 v.Chr.).
Toen in 107 consulverkiezingen werden gehouden in Rome, bleek Marius de grote favoriet. Er waren alleen twee problemen: Gaius Marius zat in Afrika en Gaius Marius kwam niet uit een senatoriale familie. Met die bagage (en met een gunstig voorteken uit een offerdier) begaf hij zich naar Metellus om verlof aan te vragen om naar Rome te kunnen voor de verkiezingen waar een kandidaat bij aanwezig moest zijn. Sallustius vertelt wat toen gebeurde (Oorlog met Iugurtha 64):
Van zijn stuk gebracht door het ongewone gebeuren, sprak hij [Metellus] zodoende eerst zijn verwondering uit over Marius' plan en gaf hem als was het in vriendschap de waarschuwing, niet zo verkeerd te beginnen, noch zich boven zijn stand te gedragen: allen moesten niet alles verlangen, zijn huidige staat van bevoegdheden behoorde hij genoeg te vinden: hij moest er in één woord voor oppassen datgene te verlangen van het Romeinse volk wat hem terecht geweigerd zou worden.Met andere woorden: Marius, je bent niet goed genoeg voor de positie van consul en dat zit hem in je stand. Consul worden is niet voor iedereen weggelegd. Uiteindelijk kreeg Marius toch verlof en won de verkiezingen. Dat kunstje zou hij daarna nog zes keer herhalen, waarmee hij dat het vaakste voor elkaar gekregen heeft van alle mannen in de Romeinse Republiek. Het kon dus wel. Gaius Marius is hét voorbeeld van een Novus Homo, een consul zonder familielid in die functie.
donderdag 24 mei 2012
Geen eer te behalen!
Zoals we bij bijvoorbeeld de Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus (±19 v.Chr - na 31 n.Chr.) al eerder hebben gezien, is het bij geschiedenis, zeker ook van de Oudheid, zaak om je te realiseren wie de tekst die je zit te lezen, heeft geschreven. In veel gevallen zijn de schrijvers betrokken bij datgene dat ze beschrijven. Veel Romeinse historici waren daarnaast hoge politici en hadden als zodanig belang bij een bepaalde weergave van de geschiedenis.
Een bekend voorbeeld hiervan is de Romeinse geschiedschrijver, redenaar en consul Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft onder anderen het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr.) waarin na de door van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) Galba, Otho, Vitellius en uiteindelijk Vespasianus aan de macht waren als keizer. Het jaar bestond uit machtstrubbelingen waarin de generaals elkaar afwisselden. Toen Otho aan de macht was en door Vitellius' troepen werd verslagen, brak er volgens Tacitus onrust uit in het legerkamp van Otho's troepen. Generaals vluchtten en de onderbevelhebber Vedius Aquila van één van Otho's legioenen raakte daarin verzeild (Historiën 2.44):
Een bekend voorbeeld hiervan is de Romeinse geschiedschrijver, redenaar en consul Publius Cornelius Tacitus (±56 - 117 n.Chr.). Hij beschrijft onder anderen het Vierkeizerjaar (68-69 n.Chr.) waarin na de door van keizer Nero (37 - 68 n.Chr.) Galba, Otho, Vitellius en uiteindelijk Vespasianus aan de macht waren als keizer. Het jaar bestond uit machtstrubbelingen waarin de generaals elkaar afwisselden. Toen Otho aan de macht was en door Vitellius' troepen werd verslagen, brak er volgens Tacitus onrust uit in het legerkamp van Otho's troepen. Generaals vluchtten en de onderbevelhebber Vedius Aquila van één van Otho's legioenen raakte daarin verzeild (Historiën 2.44):
Vedius Aquila, de onderbevelhebber van het dertiende legioen - zijn onberaden angst deed hem slachtoffer worden van de woede van de soldaten. Het was nog klaarlichte dag toen hij binnen de legerwal kwam en met luid getier de oproerlingen en degenen die wilden vluchten hem tot het middelpunt maakten van hun tumult. Voor geen scheldwoorden, voor geen handtastelijkheden ontzien zij zich zij jouwen hem uit voor deserteur en verrader, niet omdat nu juist híj zich aan een bijzonder misdrijf had schuldig gemaakt, doch naar de gewoonte van het grauw, dat man voor man de neiging heeft de schuld van eigen schande anderen in de schoenen te schuiven.Het gewone volk, waar deze soldaten kennelijk tot hoorden, was voor de meeste schrijvers van de senatorenstand geen knip voor de neus waard en Tacitus laat hier ook duidelijk zien dat er geen eer te behalen was voor Aquila.
dinsdag 22 mei 2012
Held met vier benen
In mijn allereerste blogpost kwam de relatie van de Romeinse keizer Caligula (regerend van 37 tot 41 n. Chr.) met zijn paard Incitatus aan bod. Vandaag bespreek ik de relatie van een man met een minder bizarre reputatie en zijn paard. Alexander de Grote (356 - 323 v.Chr.) had namelijk ook een paard en daar was hij bijzonder aan gehecht. Op een beroemd mosaiek dat gevonden is in Pompeii is Alexander te zien met zijn paard.
Zijn paard had de weinig vleiende naam Bucephalus ("Ossenkop") en volgens de Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr) was het een bijzondere match. Bucephalus bleek moeilijk te beheersen toen deze aan koning Philippus II (382 - 336 v.Chr.), de vader van Alexander werd verkocht. Alexander zag wel gelijk de klasse van het paard, als het maar goed behandeld zou worden (Alexander 6.2.):
Bron: Wikipedia
Zijn paard had de weinig vleiende naam Bucephalus ("Ossenkop") en volgens de Griekse biograaf Plutarchus (±46 - minstens 120 n.Chr) was het een bijzondere match. Bucephalus bleek moeilijk te beheersen toen deze aan koning Philippus II (382 - 336 v.Chr.), de vader van Alexander werd verkocht. Alexander zag wel gelijk de klasse van het paard, als het maar goed behandeld zou worden (Alexander 6.2.):
Toen was Philippus verdrietig en beval het paard weg te leiden, in de veronderstelling dat het wild en ongetemd was; maar Alexander, die vlakbij was, zei "Wat een paard raken zij kwijt omdat ze het door hun gebrek aan kwaliteiten en moed niet kunnen beheersen!"Alexander kreeg van zijn vader de kans te proberen het paard onder controle te krijgen en slaagde daarin. De prestatie was van dermate grote klasse dat Philippus helemaal onder de indruk was en Plutarchus hem de volgende woorden in de mond legt (Alexander 6.5.):
"Mijn zoon, zoek een rijk dat jou waardig is. Macedonië [waar Alexander vandaan kwam] heeft niet de ruimte voor jou."Alexander is er later op uit getrokken met Bucephalus en zijn leger en bleek inderdaad een veel groter rijk te kunnen veroveren (hij is niet voor niets De Grote geworden). Tijdens één van de veldslagen waarin Bucephalus gevangen werd genomen, bleek hoe belangrijk hij was voor Alexander. Volgens Plutarchus was Alexander bereid heel ver te gaan om zijn paard terug te krijgen (Alexander 44.3.):
Alexander was buiten zinnen van woede en stuurde een bode met het dreigement hen allen aan het zwaard te rijgen, samen met hun vrouwen en kinderen als ze hem zijn paard niet zouden teruggeven. Maar toen ze aankwamen met zijn paard en hem ook hun steden gaf, behandelde hij hen allemaal vriendelijk en gaf losgeld voor zijn paard aan hen die het hadden gevangengenomen.Uiteindelijk sterft zelfs het meest geliefde paard en Alexander was dan ook ontroostbaar. Als laatste eer besloot Alexander één van zijn zelf gestichte steden géén Alexandria te noemen (Alexander 61.1.):
Na de slag met Porus [een volk in Punjab, India] stierf Bucephalus - niet meteen, maar enige tijd erna - volgens sommige schrijvers door de wonden waarvoor hij behandeld werd, maar volgens Onesicritus [Alexander's admiraal] was door ouderdom versleten geraakt. Hij was dertig jaar oud toen hij stierf. Zijn dood deed Alexander verschrikkelijk veel verdriet. Hij voelde dat hij niets minder dan een kameraad en een vriend had verloren; hij bouwde een stad aan de oevers van de Hydaspes [de huidige Jhelam, een zijrivier van de Indus] in zijn herinnering en noemde die Bucephalia.
zondag 20 mei 2012
Hier rust Lucius Cassius Clemens
Toen ik een paar maanden geleden bij Museum Het Valkhof in Nijmegen was met Dennis (die ook een Oudheidblog heeft), hebben we een tijdje stilgestaan bij de Romeinse grafstenen die daar te zien zijn. Eentje daarvan trok destijds mijn speciale aandacht omdat deze zo goed bewaard is gebleven en in de regio gevonden is waar ik vaak op de racefiets zit (op de Hengstberg in Ubbergen). In Nijmegen staat iets verder richting het museum, op het Kops Plateau, een scherm langs de weg waar het uitzicht dat je vanaf daar hebt in een animatie is omgevormd naar het Romeinse legerkamp dat daar heeft gelegen. Dit soort dingen brengen de Oudheid dichtbij.
Bron: Collectie Gelderland, nr 1045-BA.IV.28
Ook dit soort grafstenen zijn interessant en dan met name omdat iedereen die ernaar kijkt zonder al teveel voorkennis kan zien wat erop staat en er verder zelf een voorstelling bij kan maken. Wat er staat is, uitgeschreven het volgende:
L.CASSIVS.L.F / STELL.CLEME / NS.TAVRVS.MIL / LEG.X.GEM.AN / XL.ST.XXI.HSE
L.CASSIVS is de naam van de overledene: Lucius Cassius. Hij bleek zoon te zijn van een andere Lucius (F. staat voor "zoon van"). Hij was lid van het kiesdistrict STELLA(tina) en zijn bijnaam (Romeinse burgers hadden drie namen, een voornaam (praenomen), een familienaam (nomen gentile) en een bijnaam (cognomen). Soms hadden zij meerdere bijnamen, zoals de oorlogsheld Publius Cornelius Scipio Africanus) was CLEME(ns). Hij kwam het gebied van Turijn (NS.TAUVRUS) en was soldaat (MIL(es). Als soldaat diende hij bij het tiende legioen (LEG.X, in Romeinse cijfers) dat de bijnaam GEM(ina) had ("tweeling"). Hij was AN.XL (40 jaar) en ontving XXI ST(ipendia, "jaarinkomens"). HSE betekent "hier bevindt hij zich" ("hic situs est").
van Cassius is verder niets bekend (voorzover ik weet), maar dit geeft wel een hoop informatie die de Romeinen dichtbij brengt. Een jongen van 19 uit Turijn komt als soldaat naar de Rijngrens en heeft 21 jaar dienst in een legioen waarin hij voldoende geld bij elkaar spaart om een mooie grafsteen te laten maken bij zijn overlijden na die dienstjaren.
vrijdag 18 mei 2012
Tweederde god en de Tweede Kamer
Over het algemeen wordt aangenomen dat democratie zijn oorsprong kent in het oude Griekenland. Omdat het vaak onmogelijk is om het begin van een fenomeen aan te wijzen en omdat het oude Sumerië (Zuid-Irak) als één van de belangrijkste vroege beschavingen veel te weinig aandacht krijgt, komt vandaag het Gilgameš-Epos aan bod. Gilgameš is de bekendste figuur uit de Sumerische Oudheid al weet niemand 100% zeker of hij een mythische of historische figuur is geweest. Als hij echt bestaan heeft, moet hij halverwege het derde millennium v.Chr. geleefd hebben, dus eigenlijk aan het begin van wat we "geschiedenis" kunnen noemen en vlak ná de "prehistorie", als die termen enige waarde hebben.
Volgens de schrijver van het Gilgameš -Epos was Gilgameš de heerser over de stad Uruk dat een conflict had met de stad Kiš dat onder leiding stond van koning Agga. Op een gegeven moment stonden de legers van Kiš op de stoep bij Uruk en moest Gilgamesh iets doen: zich overgeven of oorlog voeren met Kiš. Voor een koning die voor tweederde deel goddelijk was, deed hij iets opmerkelijks: hij vroeg instemming bij zijn onderdanen! In het Gilgameš-Epos spreekt hij eerst een raad van ouderen (abba buru, "vaders van de stad") aan (Gilgameš en Agga 1-14):
Volgens de schrijver van het Gilgameš -Epos was Gilgameš de heerser over de stad Uruk dat een conflict had met de stad Kiš dat onder leiding stond van koning Agga. Op een gegeven moment stonden de legers van Kiš op de stoep bij Uruk en moest Gilgamesh iets doen: zich overgeven of oorlog voeren met Kiš. Voor een koning die voor tweederde deel goddelijk was, deed hij iets opmerkelijks: hij vroeg instemming bij zijn onderdanen! In het Gilgameš-Epos spreekt hij eerst een raad van ouderen (abba buru, "vaders van de stad") aan (Gilgameš en Agga 1-14):
De gezanten van Agga, de zoon van EnmebaraggesiDit was vermoedelijk niet de reactie die Gilgameš verwachtte en zéker niet de reactie die hij wenste, dus zoekt de koning zijn heil bij de vergadering van burgers van militaire leeftijd (guruš, "leden van de klaarblijkelijk identieke arbeids- en militaire organisatie van de stadstaat") en kijkt wat zij ervan vinden (Gilgameš en Agga 15-23):
Trokken op vanuit Kiš naar Gilgameš in Uruk.
De heer Gilgameš, voor de oudsten van zijn stad
Brengt de zaak naar voren, zoekt [hun] woord:
“[Een opmerking over het graven van putten en over krachtige touwen volgt]
Laten wij ons niet overgeven aan het huis van Kiš. Laten we het neerslaan met onze wapens.”
De samengekomen vergadering van oudsten van zijn stad
Antwoordt Gilgameš:
“[de opmerking over de putten en de touwen wordt positief ontvangen]
Laten wij ons overgeven aan het huis van Kiš. Laten we het niet neerslaan met onze wapens.”
Gilgameš, de heer van Kullab [Een deel van de stad Uruk]Bij deze "Tweede Kamer" krijgt de koning wél voor elkaar dat er een leger wordt opgetrommeld om de stad te verdedigen tegen de vijand. Blijkbaar kun je dan nog zo tweederde goddelijk zijn, als je leger "nee" zegt, sta je in je eentje op het slagveld en dan verlies je meestal. Het is aan de lezer om te bepalen in hoeverre dit democratie is, maar het is in ieder geval geen typisch voorbeeld van een Oosterse despoot.
Die de heldhaftige daden voor Innana [De stadsgod van Uruk] uitvoert
Neemt de woorden van de oudsten van zijn stad niet tot zijn hart.
Een tweede keer brengt Gilgameš, de heer van Kullab
De zaak voor bij de [wapendragende] mannen van zijn stad, zoekt hun woord:
“[de opmerking over de putten en de touwen volgt weer]
Laten wij ons niet overgeven aan het huis van Kiš. Laten we het neerslaan met onze wapens.”
De samengekomen vergadering van mannen van zijn stad
Antwoordt Gilgameš:
“[De gehele bevolking van Uruk wordt aangesproken, van hen die samen met de zonen van de koning opgroeiden tot hen die “het dijbeen van de ezel indrukken”]
Ieder wie zijn [Uruk’s] leven dierbaar acht
Laten wij ons niet overgeven aan het huis van Kiš. Laten we het neerslaan met onze wapens.[...]"
Abonneren op:
Posts (Atom)
